Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maal lieden, die men niets kwalijk nemen mocht, al hadden zij nog zoveel uitheemse noten op hun zang. Maar zelfs een Herre Wiarda had zich te onderwerpen aan de wet van vader en vadersvader... Herre echter ging lijnrecht in tegen het verhitte veroordeel •—• zelfs tegen het schuw en schuchter verzet van Antje, die klaagde, dat 't toch geen gewoonte was, dat niemand ooit zó'n nieuwwigheid bestaan had, en dat zij het best durfde wagen met een beproefde, ouderwetse baker. Het was de enige maal sinds haar zwangerschap, dat Herre in woede uitbarstte, al was die woede niet tegen haar gekeerd, maar tegen de dwang, die iedereen krachtens de ingeroeste overtuiging van het geboorteland op hen uit wilde oefenen.

•—• Bakers! Die verdomde ouwe kletskousen 1 viel hij uit. •—1 Bijgelovige koffieleuten, die kinderen zoet houden met dotjes vol brandewijn! Ze weten immers niet eens, hoe ze een kind moeten aanpakken — het klein grut sterft onder hun handen — als ze blijven leven is 't alleen, omdat ze sterker van inhoud zijn dan de behandeling... En waar komen die bakers vandaan? Uit de armeluisbuurten, van de achterwegen, waar de mot en de schimmel en de houtwurm in alle stoelen en kleerkasten zitten... Ik vertrouw mijn kind —• óns kind — niet aan zo'n dweil toe. Laat Beits en Oept en Wybren en godweetwie maar kletsen, wat ze willen: hier komt een zuster in huisl Ik laat me de wet niet voorschrijven door iederen woudker, die nog in de zeventiger jaren leeft! —•

De zuster kwam.

Het was een stille, bedreven, niet meer jonge verpleegster in kraakhelder wit-en-blauw, die met gladgestreken haar en roodgeboende, smetloze handen den dokter bijstond, om het kostbaar kind van Antje Adzers ter wereld te brengen.

De bevalling was pijnlijk en lang, alsof de schoot van de moeder het kind slechts met tegenzin en door dwang prijs wilde geven. Herre Wiarda had er niet aan getwijfeld, dat het een zoon zou zijn; hij kreeg gelijk. Toen hij na de bevalling in de voorkamer gelaten werd, waar Antje in de brede veren kussens van het „uutvanhuzersbed" lag •— de legerstee, die

Sluiten