Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er als voorheen, een klein parelend glas voor zich; de vrouw lachte, haar tanden blonken vaag onder de luifelschaduw van het ontzaglijke, versierde kunstwerk, dat een hoed was. De vrouw, die de brief geschreven had, welke Pieter zo fel onder zijn greep vandaan had gegristl —1

Herre groefde de nagels in de hand, en de kilte van de avond rilde eensklaps onder zijn lichte jas. Hij was alleen maar woedend over zijn zorgeloosheid van zoveel maanden, kon niet denken; de wijnwasem was uit zijn hoofd, maar de dolle gedachten spookten ervoor in de plaats. Toen hij eindelijk klokken hoorde slaan, bemerkte hij, dat het hoog tijd was om naar huis te gaan en hij rende, door smalle stegen en een plantsoen, dat de warmte van de dag in dik lommer gevangen hield. —

Hij was stug tegen Antje, en ging woordeloos naar bed.

De volgende morgen, toen hij met koel redenerend hoofd uit de trein stapte, wandelde hij het café binnen. Hij kocht sigaren aan het buffet, en begon een terloops gesprek met den eigenaar. Hij wist niet, hoe hij de vraag moest stellen. Hij probeerde het luchtig en zonder opvallendheid:

— Veel bezoek in deze tijd van het jaar?

—1 Niet te klagen, m'nheer, zei de Leeuwarder, die bierglazen spoelde, en bij de vraag kort en verbaasd de wenkbrauwen optrok.

Herre zoog omzichtig de vlam in de sigaar.

•—• Gisteravond... zei hij, en hij kuchte. Maar toen werd hij ernstig, hij kon immers toch niet toneelspelen. Hij leunde voorover, de ellebogen op de toonbank. Hij maakte een achterwaarts gebaar met het hoofd naar de plaats, waar Pieter naast het vrouwmens gezeten had. Zijn stem was somber en gedempt:

■—- Weet u nog, wie daar zaten, gisterenavond? Die man en die vrouw?

De eigenaar keek op en lachte.

•—1 Daar? O ja — dat was m'nheer Ei...

Hij zweeg onverwacht en nam Herre snel en zijdelings op.

Het rad der fortuin 11

Sluiten