Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij scheen plotseling niet te weten, wat voor zin de borende vraag had. Hij schraapte zijn stoppelkin met de hand: — 't Is toch niet voor de polisie?

Herre schudde kortaf het hoofd; zijn dwingende ernst blééf.

— Nee. Maar ik moet meer van dien man weten. Helemaal zuiver is 't niet, zie.

Het verhaal, dat de caféhouder deed, gedrongen en geklemd door Herre's vasthoudende vragen, was ongeveer wat Herre voor zichzelf vermoed had.

Pieter Eisinga, ja, die was beheerder van een fabriek, bij Drachten of daaromtrent. Hij had hier die vaste meid in Leeuwarden. Hij kwam geregeld in het café, jawel. Al een half jaar. Hij bleef soms wel eens een paar dagen in de stad. aar ? Ja, eigenlijk mocht dat niet gezegd worden, maar — er werd de naam van een hotel aan de stille zijde van de Nieuwstad gefluisterd. Geld? O ja, altijd betaald, royaal betaald, nooit geen zorgen over gehad, een goeie klant; maar als t niet zuiver was — •—• dan niks geen meelijden met zulke heerschappen.

Herre gaf den kellner, die de deur voor hem openmaakte, een slordige fooi en ging.

De volgende dag was hij in de Compagnie. Maar hij ging niet naar de fabriek. Hij ging naar het kosthuis, naar den kleermaker, waar Pieter woonde. Hij vroeg den man zelf te spreken. Het was een lange kerel met stijve mosterdkleurige kinbaard, die hem begroette en vroeg om binnen te komen. Natuurlijk kende de man Herre, hij deed afgemeten en weinig toeschietelijk, maar toen Herre begon te vragen, werd de snijder bleker en minder steil in zijn optreden.

Pieter Eisinga was dikwijls een avond weg. Hij had altijd geld. De boeren wisten het. De boeren klaagden nog al eens dat had mijnheer zeker ook gehoord. Ja, ze hielden op het dorp niet bijster van Eisinga; zo slecht was hij toch niet. "Wat jong en wat vroeg-bedorven, een grote boerenzoon, die het altijd breed heeft kunnen laten hangen. Maar hij, de kleer-

Sluiten