Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Als kind had Ruth d'Aby in de huiskamer haar vaste plaatsje gekregen onder het brede raam van de steeg, waarin met opzet gekleurd glas was aangebracht, omdat achter het huis aan de Haarlemse gracht een volksbuurt lag, waar je alleen door die steeg kon komen, en waarvan je de kinderen steeds hoorde fluiten, klepperen en op doffe klompen hinkel spelen. Er stonden wonderlijke uiltjes en vruchtenslingers op dat gebrande glas, en haar ogen verdroomden zich daarin zo lang, tot het net was, of je helemaal verdween, en alleen je gevoel overbleef; precies zoals wanneer je op de duinen lag, en in de lucht keek. Het was een ogenblik angstig en zalig, als je je voelde overgaan in die gekleurde, vormloze dromen, waaruit eindelijk stille gezichten kwamen en handen, die langs je haar streelden en armen, die je zacht als de wind omvingen. En als mama of Carla dan opeens tegen je schouders stiet: — Ruth, luister je? Ruth, je thee wordt koud! Ruth, hoe vaak moet ik nog zeggen, dat je aan tafel komt? •— dan was er iets in je, dat ijskoud schokte en je werd bleek van verzet, en eenzamer dan ooit schoof je in de grauwe, harde wereld terug, waar alles eerst te pijnlijk leek, om aan te raken. —•

Vader was specialist, sinds ze na Bloemendaal in Haarlem waren gaan wonen, en er kwamen alleen mensen bij hem, die het konden betalen, en de kinderen zagen hem bijna nooit. Carla en Egmont vertelden wel eens van vroeger, toen ze nog buiten woonden en een bruin paard hadden, en met vader in de phaëton mochten rijden •— des zomers —• of in de brik —■ des winters; maar Ruth was bang voor vader, die ze elke avond in de kamer met hoge wanden vol zwart-gouden boek-

Het rad der fortuin 12

Sluiten