Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de spiegel, en Let vuurscherm van zilverdraad vol rode fasanten, dat mama nog eigenhandig gemaakt had, toen ze een jong meisje was. Ruth hield erg veel van mooie dingen. En daarom zocht ze, zo vaak ze kon, het gekleurde raam in de huiskamer, en droomde zich alles, wat overdag onbenaderbaar was en nog veel meer; en ook kon ze lange tijd staan kijken naar de hoge glinsterende glaskast in de huiskamer naast de schoorsteen, waar vaders snuisterijen in lagen: kommetjes, beeldjes, muntjes, vaasjes en schelpjes.

In de huiskamer hingen ook drie grote portretten in dikke krullijsten, twee vrouwen en een man, waarvan de ogen je overal onafwendbaar volgden, als je er op ging letten, net zoals de maan buiten met je meeliep over de daken en achter de boomskeletten van de Vest in de winter. De ene dame droeg een hoge kanten muts met keelbanden, die Egmont en Ruth de „bloemkool" gedoopt hadden; maar dat mocht je niet zeggen, vooral niet in het bijzijn van mama, want dan balde ze haar kleine witte vuist, en zei: •—• Kinderen, meer eerbied voor je overgrootmoeder Flora, de achter-achterkleindochter van de eerste Flora d'Abyl •—•

Die eerste Flora was, wat oom Lex noemde, mama's stokpaardje; ze hing geportretteerd in de kamer van moeder, een jeugdwerk van Ary Scheffer, zoals mama steeds met nadruk tegenover elke bezoekster uit deed komen. Die eerste Flora was een dame met blote armen en schouders, in blauwe sluiers gekleed, met een grote hoed vol blauwe pluimen, en een volle rode mond; ze reikte haar hand met een zonderlinge boog van die blote arm aan een prachtig in 't purper gedoste jongeman onder de schaduw van olijfgroene bomen. Soms, als de kinderen even in mama's kamer mochten met de notenhouten meubeltjes en het tapijt, waarin zelfs het kraken van je daagse laarsjes smoorde, legde mama uit, wat het schilderij betekende: de man, dat was een prins, die in dat bos verdwaald was en die door Flora d'Aby gered werd.

Eens, toen oom Lex met tante Flora, papa's zuster, kwam koffiedrinken, en de naam Scheffer viel, zei Egmont: —1 O ja.

Sluiten