Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij móest toch buiten komen 1 Zij móest toch bemerken, dat hij daar stond, met zijn groot, onhoudbaar verlangen; dat hij haar wilde zien, haar handen vasthouden — •—•

Hij wachtte een uur, twee uur. Het licht in de huiskamer ging eensklaps uit. In zijn saamgetrokken borst ging het hart opnieuw te keer •—• nu zou zij toch naar buiten komen] De adem schokte hem koud in de keel. Er verscheen geen mens. Het werd stil in en om het huis. Hij bemerkte, dat een paar stoepen verder een agent stond, die vanonder een neergetrokken klep naar hem keek. Misschien had die er allang zo gestaan. Rudmer wendde zich om en liep langzaam weg, straat in en uit, zonder te weten waarheen. Hij kon nog niet geloven, dat de stomme roep van zijn verlangen vergeefs was geweest. Een uur later was hij weer bij het huis van Ruth. Duisternis en stilzwijgen alleen 1

Hij keerde doodmoe met de laatste trein naar Amsterdam terug.

Met Pasen vroeg hij Egmont, terloops, of hij weer naar Haarlem ging. Egmont glimlachte vorsend: —- Wou je soms mee? Heb je je de vorige keer zo goed geamuseerd, dat je 't niet vergeten kunt?

Rudmer voelde zich betrapt als een kind, dat een speelgoedwinkel ziet en dadelijk vertelt, dat het zijn mooie bal verloren heeft. Hij stamelde iets, waarop Egmont nog spitser lachte. —•

— Je hoeft je niet te verontschuldigen, professor.We zijn zeer gevleid wegens je aandacht voor onze kleine Ruth. Vooruit dan maar, vergeet de exegese der Handelingen, en neem met mij een enkele reis Haarlem 1

Het leek, of Egmont, ondanks zijn uiterlijke charme en niet-gemeende spot, hen beiden deze keer scherper bewaakte, en mevrouw d'Aby was zo terughoudend en overbeleefd, dat Rudmer de groeiende achterdocht kwetsend gevoelde. Maar hij en Ruth d'Aby vergaten alles, wanneer ze een ogenblik samen waren.

Hij vertelde haar, hoe hij in de Maartnacht buiten op haar

Sluiten