Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Hoe vind je haar, Mem?

Zijn moeder nam hem aandachtig op; haar strenge, heldere vrouwenblik was zacht overneveld, alsof er ongerustheid in haar hing:

— 't Is een dame, vanzelf... ze zal ons wel raar volk vinden...

Rudmer schudde het hoofd.

•— Nee, nou vergist Mem zich...! Er is geen greintje grootsigheid aan 'rl

Zonderling, dat hij hier met zijn moeder in 't fries stond te spreken over Ruth. Hij drukte het smalle sterke vrouwtje even tegen zich:

.—• 't Is allemaal nieuw, dat spreekt, voor haar en voor jullie. Maar het went!

Reinou zuchtte even:

— Wij boeren wennen niet zo makkelijk an vreemden... Maar 't is jouw geluk en daar gaat 'et nu maar om. •—•

Nu zat Rudmer naast Ruth in de schommelende wagen, het leren, warm gevoerde kniedek wikkelde hen samen in; de rug van Ekke, den voerman, was een brede zwarte schaduw voor het witte spinsel van de winternacht. Rudmer hield Ruth dicht en beschermend tegen zich, en was mateloos verheugd, toen ze fluisterde:

— Ik heb er eerst wel een beetje tegen opgezien, eerlijk... maar alles is me zó meegevallen, en je moeder is een allerliefst vrouwtjel

Hij streelde haar onder het donker van de veilige wagenkap; schertste:

—• Had jij dan halve wilden verwacht?

Ze lachten als grote kinderen; en een klemmende spanning viel van hem.

Op de tweede Kerstdag kwamen Herre en Antje met het kind. Het kleine wezen in het witte wagenbedje bracht zelfs de twee zo uiteenlopende vrouwen een oogwenk bijeen, toen Ruth den half boers-gekleden Wychman in haar armen nam en lachte om het domme ronde mondje en de uitstaande oortjes.

Sluiten