Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de jurken van mevrouw. Ruth spreekt zo „hoog" •—• Hollands is een moeilijke taal voor Froukje, en als zij het probeert te spreken, worden de woorden direct ,,briek". Ruth's manier van zeggen en doen maken Froukje stilletjes en verlegen aan 't lachen, want deftigheid is iets, wat haar volmaakt in de war brengt; maar ze past wel op, haar zelfbeheersing in dit opzicht niet te verliezen, en haar bewondering voor Ruth's gratie en voornaamheid wint het altijd nog. •—•

De almanakken schrijven: Wijnmaand.

De herfst waait ijle wolkenstrepen door een goudblauwe hemel. Des morgens kruipt de mist aarzelend en laag door de tuin; daarna komt de zon, geluidloos, want de vogels roeren zich ook later; boven de banken van de ochtend stijgt ze niet ver meer uit; ze schuift langzaam de einder rond, al maakt ze de middagen nog warm in de beschutting van het oude vierkante domineeshuis met zijn vele gele luiken en twee machtige schoorstenen — het huis, waarin Ruth soms plotseling weer door een diepe verwondering wordt overvallen: dat dit van haar is. Losgefladderde rozeblaren welken tegen het raam; alleen het vaste harde lila en goudbrons van de asters wiegt nog boven de verschroeide zomerstengels van gladiolen en violieren. Als Ruth door het dorp loopt, is de stilte er bijna ondraaglijk. Het water van de opvaart sluit geëffend om de helgeschilderde tjalken; de arbeidershuisjes rond het grasplein aan de vaart, donkerrode keetjes met geblakerde gevelstukken en zwartijzeren muurankers, die de pulverende steen tezamenkrammen, liggen daar zo afzijds, of volwassenen en kinderen ze sinds lang verlaten hebben. Alleen in de dorpsschool is geluid; het tikken van een stok tegen het bord; een stem, die in één toonzang iets herhaalt. Daarachter rusten de boerderijen in hun boomgaarden, en de dood kraakt goudig onder het lover. —

Beneden in de pastorietuin sjouwt Aebe, doof en stokkend en langzaam, met het laddertje. Hij is het mannetje, dat door de kerk wordt betaald, om dominee's tuin te verzorgen, de perken te wieden, het gras te maaien. Hij zet het laddertje tegen de geknoeste vruchtbomen en klimt zeven, acht treden

Sluiten