Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op, om de verste vruchten met een lange stok uit de dichtverstrengelde bladerbossen te slaan. Langs de gebroken stenen, die het keukenplaatsje en de tuin scheiden, staan manden met presenten van Engeland, bellefleuren en zoete, geelwangige peren, die in de vroege zomer, als de jongens in de schemering de bomen komen plunderen, nog zo wrang smaken, dat de jeugd ze „bekketrekkers" noemt. •— Ruth neuriet luider. Het is al vertrouwd, deze mensen, en de huizen, en de enkele wegen, de tuin met het uitzicht over het vlasland, waar de doordringend riekende vezel nu vandaan wordt gesleept in wagens, die met klaaglijke scharnieren de inrit uit en binnenzwenken. Ruth kijkt uit het raam .— hoeveel moeite heeft het niet gekost, voor ze de met witgestreken stopverf gedichte naden los had gekrabd, en de vensters weer wilden schuiven! — en Aebe, die de boom tegenover haar met slinkse houwen teistert, groet herkennend in een grijns, die zijn laatste tandstompen onthult.

Ruth d'Aby... Ruth Wiarda... Ruth d'Aby — het is een klein spelletje van woorden in haar hoofd, terwijl ze zingt, een eentonig en afleidend spelletje van haar gedachten... Misschien denkt ze vaker aan Haarlem, aan mama en Carla, en de vriendinnen der laatste jaren —; ze heeft ook pas een brief gehad van tante Flora, waarop ze nog steeds moet antwoorden. Tante Flora heeft haar geluk gewenst met haar huwelijk. — „Een beetje laat ben ik wel, lieve kind, maar je weet, dat ik deze zomer een rusthuis voor telefoniste's heb geleid in Noordwijk — en zo verder. Geen woord over het verleden, over de verwachtingen van eens. Gelukkig, denkt Ruth, legt de japonnen op het bed neer, en kijkt verstolen naar Froukje, die met beschroomde, stugge werkhand langs de steedse stoffen streelt —• ,,o mevrouw, wat een móói werkje zit 'r in dat goed!" — Ruth knikt en neuriet en kijkt. Ze heeft tante Flora verloren. Ruth d'Aby heeft alles achter zich gelaten; ja, zo lijkt het eensklaps, nu ze hier naast de kleine Froukje staat als Ruth Wiarda ■— in de hoge doorwaaide kamer van het dorpse herenhuis met zijn lange gemarmerde gangen en donkergelopen trap. Lijkt het bij wijlen niet, of ze alleen maar in een rusteloos

Sluiten