Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Je wou toch niet, dat je kleine Ruth in een ouderwets manteltje rondliep, zodat iedereen de indruk zal krijgen, dat we hier buiten de wereld wonen 1

Snel staat Lij bij haar, zijn arm is om haar jonge schouder; hij wijst haar kussend terecht:

■—■ Coquette ■—• alsof de boeren dat zouden bemerken 1 Ruth kijkt hem met grote ogen aan; daarna trekt ze hem aan zijn krullen; haar mond schertst, maar haar ogen blijven zacht-verontwaardigd:

•— De boeren...? Maar ik maak me toch mooi voor jóul

Twee dagen later vertelt ze hem, dat ze aan mama heeft geschreven: ze komt in Haarlem logeren. En een week nadien gaat ze op reis; mama is verrukt over het vooruitzicht. Rudmer brengt haar naar de halte van de paardetram... een kwartier lopen langs de smalle weg van donkergestampt puinslag. Ze zeggen niet veel. De rosse doorzichtige stilte van het najaar is al uit de lucht; het eerste vee is binnen •—• het waait star en koel uit het noordwesten, zodat hun adem wegslaat na ieder woord.

Als Rudmer terugwandelt naar de pastorie, langzaam en nadenkelijk, de wind in de rug, ziet hij haar weer in de tram stappen, in de kleine benauwde tweede-klas met de doodgeslagen vliegen tegen het vuile glas en de stoffige rode kussens. Haar profiel —• zo tenger en zo jong onder de donkere hoed en het bruine zware haar •— maakte hem ongeruster dan ooit; hij moest zijn handen ineenklemmen. Kleine Ruth, kleine Ruth... wat ga je doen? Wat deed hij zelf? Hij had haar haar zin gegeven; was het niet beter geweest, om tegen haar op te treden en het reizen te verbieden? -— Maar de tram was weggeschoven tussen de dorpse doornige heggen, de hoefslag van het oude paard werd al onhoorbaar in de bocht van de weg. Rudmer weet, zij zal voorzichtig zijn; ze is geen dom gansje, en weet op zichzelf te passen. Maar zijn ongerustheid gaat verder: als moet hij van nu af aan iets in haar karakter vrezen, dat hij niet eerder heeft gekend, en dat eensklaps

Sluiten