Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar de oppervlakte is gestegen en haar eigenzinnig en blind beheerst.

Uit de schuren klinkt het getokkel van dorsvlegels. Aardappelloof smeult op een laat-gerooide akker. Men ziet hem aankomen vanaf het land —- straks is hij ook langs gegaan •—• en men wacht even met werken, tot hij groetend gepasseerd is. „Domineeske is naar d'r femilie in Holland," heeft Froukje in de tussentijd waarschijnlijk al aan den bakker verteld; en de boeren, die Rudmer en Ruth voorbij zagen gaan, zullen het nieuws ook doorgeven: „Dominee heeft z'n wijf naar de tram gebracht" •— en Rudmer glimlacht zijns ondanks om het oudmodische woord, dat in de friese boerenmond trouwhartig en welgemeend klinkt, als hij zich voorstelt, hoe ze het aan elkaar vertellen. —

Weer staat hij in de groene kamer met de vele boeken. Hij kan niet meteen gaan zitten werken. Hij loopt door het hele huis ■—• de woonkamer, Ruth's kamer, de slaapkamer; hij kijkt lang naar het brede, lage witoverspreide bed. En als hij eindelijk mijmerend achter de schrijftafel zit, moet Froukje drie keer kloppen, voor ze hem de koffie binnenbrengen kan.

XIII

Na Ruth's terugkeer hernam het leven zijn stille en natuurlijke loop. Ze had geestdriftig verteld van Haarlem, mama, de vriendinnen, die ze weer gesproken had — Rudmer herinnerde zich de namen vaag, toen ze die noemde ■—■ en hoe ze op een middag naar Amsterdam was gespoord en daar inkopen had gedaan, die dan ook werkelijk een dag of wat later met den vrachtrijder in het dorp kwamen. •—• En daarna leek het, of de wilde onverhoedse trek, die Rudmer zozeer in verwarring gebracht had, bezonken was; ze werd weer de aanhankelijke, eenvoudlievende Ruth, die weliswaar in nieuwe kleren rondliep, maar er niet meer van sprak; en hij begon te gissen, dat de reden van haar uittocht toch nog elders lag.

Over het verlaten vlasland streepte dunne regen, eentonig

Sluiten