Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijna liever dan de vernederende goedheid van het mens, dat niet wist, wat in hem woekerde. Hij voelde zich man worden, hij had naar de draverijen in Bergum willen gaan, waar men jenever kon kopen en waar de meiden kwamen in nieuwe jakken en de jeugd danste; maar het hakketeren van Sybranda, van arbeiders, naburen en ieder, die hij ontmoette, ontmoedigden hem tot de ziel; verschopt en mokkend lag hij iedere keer, waarop anderen naar een feest of een vrijster trokken, in het gras, als hij niet met nijd en tranen op de bedompte peluw kroop. —

De zomermaanden, waarin hij bij Sybranda diende, gingen door de hardheid en het weerspannige van al wat Ekke ondervond en waarmee hij het bejegende, in langgerekte wanhoop voorbij. Toen de Septembermaand kwam en de tarwe werd ingehaald, en hij weer met hotsende wagens kon rijden van akker naar schuur, en van de schuur naar den smid, lichtte zijn mismoedigheid korte tijd op. Maar de aardappeloogst, die volgde, onder de motregen, het woelen in de zwartgedrenkte kluitaarde, het schimpen en jagen van de rooiers, die al hun tegenzin en vernederingen ontlaadden op den jongsten knecht, sarden hem opnieuw tot het uiterste. Het weer werd slecht, in de regen lag hij op de lange rechte akkers, waar de zandpoters half uitgewrikt waren; schudde hij, zeefde hij en zocht hij de soorten uit in korven en manden, terwijl een doffere, hardere rampzaligheid in hem groeide. De buien werden af en toe stortregens, de boer vloekte hem de huid vol, als hij onder de heesters ging schuilen en vergat, de aardappelstapels met stro en aarde af te dekken. Aan de maaltijden zat hij versuft van de jacht en doorweekt te trillen, des nachts werd hij niet warm onder het vuile dek. Het was, of er knersende stenen tussen zijn gewrichten kwamen; de grond korrelde en kleefde aan zijn kleren, die niemand reinigde, de grond vulde zijn luchtpijpen en longen, ze vulde zijn mond, zijn gehele hoofd. Hij vervloekte de zandstreek, de woudkers, zichzelf •— hij dorst het horloge van Jarig niet meer uit de kist te halen, hij wou niet aan het verleden herinnerd worden;

Het rad der fortuin 17

Sluiten