Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

In de weken, waarin Ekke Wiarda terugwende aan het verblijf onder welgezinden, zag hij Tjalling elke avond ongeduldig worden. De lange, zwijgzame boer zoog heftig aan zijn pijp, stopte ze met stille furie, en begon naar de deur te lopen. En elke avond zei Reinou, als troostend, vanaf haar plaats bij het raam, dat nog wat heldergroen licht ving:

— Geduld nou maar, Meint wil immers ook weten, hoe 't er mee staat.

Buiten klopte Tjalling de pijp op de top van zijn klomp uit en slenterde hij naar het scheefgezakte witte hekje, de bruingeworden rokerstanden scherp op de onderlip, als moest hij zich met geweld beheersen.

Ekke lette eerst niet op deze tekenen, maar na een paar weken werd hij nieuwsgierig:

■—- Waar wacht Tjalling-oom toch op?

En Reinou keek hem aan, zuchtend en met bedwongen verwijt:

— Nou, vanzelf de Bóeren —'1

De Boeren. Ekke luisterde verwonderd naar haar verklaring. De Boeren woonden in Afrika. Scheepsreizen ver weg. Mensen van Hollands bloed. Ze hadden hun nederzettingen en steden op de rotsen en in de weidevlakten; zij doopten het kaffervolk; ze bouwden daar Hollandse huizen en spraken Hollands; ze fokten vee en onderhielden de bijbel en de geboden als de voorvaderen. Maar de Engelsen drongen op naar de Kaapkolonie, en de Boeren trokken aldoor verder het zuiden in, naar Oranje-Vrijstaat, naar Natal, ze stichtten de republiek Transvaal. Het was lang geleden, in de 70-er en 80-er jaren, toen hadden ze al met de Britten gevochten. Want schieten konden ze, vanachter de kopjes, zo heetten de rotspunten in de bergen daar... Maar Engeland was sluw geweest; het had hun de onafhankelijkheid beloofd. En nou was dat alles voor niets; de Britten werden weer landhongerig, toen er goud in de Witwatersrand bloot kwam. Ze hadden het land van de

Sluiten