Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met Nieuwejaar maakte de snijder op last van Reinou voor Ekke een zwart lakens pak. Hij leerde nu ook dansen, eens in de veertien dagen, in de herberg aan de rijksweg; daar kwam een oudgediende met snorren, die bij de grenadiers had gediend, en Haagse passen geloofde te hebben opgedaan, die hij voor een stuiver per avond en per man aan de boerenjeugd leerde, terwijl Keimpe met de bult, de ingedorde, onverwoestbare muzikant van de streek, op een tafel in de hoek zat, en de polka op de ontruimde bovenzaal met schrille harmonica begeleidde:

Eén twee, drie: naar de verutera toe,

Nou terug naar de kachel toe...

Zo werd Ekke de derde zoon aan de Zomerweg: een jonge boer, die geen dorpsfeest oversloeg, en alle toneelkransen van de omtrek afliep. In het voorjaar kreeg hij een fiets met nikkelen bel en lantaarn, en toen hij eens repte over een klaverjaspartij, die zou worden gehouden, was het Reinou, die voor het eerst haar deugdzame degelijkheid overwon, en hem, bijna tersluiks, een paar rijksdaalders onder zijn hand schoof, zodat hij er heen zou kunnen gaan...

Er was weer jeugd in het huis van Tjalling Wiarda. En Tjalling verstoorde dit geluk niet — hij had bemerkt, dat Ekke het verleden van zijn vader niet kende; en Tjalling wilde de laatste zijn, om Jarig's zondenregister voor Ekke te openen.

Ekke leek te wennen aan het streekwerk van de Wouden; hij had weinig wensen meer. De uren van vertwijfeling waren voorbij; het leek, of ook Jarig's horloge des nachts in de diepe stilte vrediger tikte. Ekke, met zijn grote machtige handen en éénkennige linksheid werd de tweede man in de stelp. Hij groeide onder het vertrouwen, hij verloor zijn schuwe geslotenheid, al werd hij nooit een drukke prater. Kwamen er gasten, een zeldene Zondag, dan nam hij deel aan de boerenverhandeling, beraden en langzaam als Tjalling zelf. Hij stond ook met de buren in gesprek, als 't zo geviel. Hij ging in 't voorjaar zelfs uit vrijen, al was hij er terughoudend over

Sluiten