Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar rede, manl We denken toch hetzelfdel We kunnen toch om die arbeiders geen onenigheid...

Meint's half verstikte stem klonk al bij de buitendeur:

— Stil maarl Ik gal

De deur viel in de klink. Tjalling's klompen tikten over het harde wintererf: hij liep Meint nog steeds na. Reinou en Ekke luisterden. Bij het hek scheen Tjalling den ouden buurman te hebben ingehaald. Zij praatten tegen elkaar, Meint met verbeten gegrom, Tjalling sussend en traag. Reinou haalde de schouders op, en legde de hompen brood, die over waren, in de trommel. Ekke dronk langzaam zijn koffie op, en kauwde de laatste roggesnede naar binnen. Alles bleef hem duister en ver, zoals toen, met de Boerenoorlog.

Na enkele minuten gingen Meint's korte, haastige passen verloren in de wind. Tjalling kwam weer binnen; hij wreef de kromme handen. Een wolk van winterkilte kwam met hem mee. Reinou nam Tjalling vlug en scherp op over de kleine brilleglazen. Tjalling's lippen waren blauw, toen hij hoofdschuddend bij de kachel ging zitten.

•— Zo'n dwarskop...

— Tjalling, zei Reinou, als een rechter zo hard. — Ben je zó naar buiten gelopen, •—• zonder pet, in de blote kiel?

Tjalling keek haar verslagen aan. Hij stotterde binnensmonds: Nou ja... wat zou 'et?

Zij perste haar mond kort bijeen, haar hand balde zich.

—1 Nou, dan weet ik 't al weer... dat wordt net zo as voor drie jaar... eerst buiten in de wind staan, dan hoesten en sukkelen... Grote kerels, en zo dom as kinders. Here, Here, je gezondheid is toch meer waard als al dat spoorgedoel

De volgende dag was een Zondag. De hele middag zat Tjalling achter de krant. De walm van zijn pijp steeg in dunne spiralen naar de balkenzolder, maar tegen de avond rookte hij niet meer. Des nachts nieste en snoof hij met hol geweld. Toen Meint de Maandagavond terugkwam •—• zijn woedende eed, om nooit weer te verschijnen, ontrouw ■— vond hij Tjalling in bed, met een hoest, zo knersend en hard, alsof

Sluiten