Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de drempel van het kamertje vernam hij het gretig ritselen van de papieren; Regina vouwde ze op en stak ze bij zich. Neen, ze deed ze in de kast; hij hoorde een la piepen, een slot werd omgedraaid. Hij schokte de zware schouders en liep het kleine erf op, onder de uitbundige zon.

IX

Na enkele dagen wisten allen het — de gebrilde brievengaarder had het rondverteld —: ,,de zoon van den pikeur is ook weer terug". De oude spotnaam van Jarig deed onverhoeds weer opgeld; ze was niet gaan slapen met den dode; ze had haar dienst nog niet gedaan; ze deugde nog, om den zoon, den zwijgenden, geweldigen jongen man aan te duiden, die zo heimelijk in het dorp was opgedoken.

Ja, Ekke Wiarda was er weer, waar men hem zo lang gekend had; meer dan eens zag men hem langs de weg slenteren, alleen — de handen op de rug, een onverschillige trek om kin en mond, maar de lichte angst in de ogen: wie zal ik ontmoeten,

wat zal men mij vragen?

Doch Ekke's terugkeer schokte het waterdorp niet bijster. Hij had nooit behoord tot de christelijke jongemannenveremging, en ook nu kwam hij niet in het gebouwtje, waar de jongelingen elkaar op gezette tijd stichtten en onderhielden; zingen had hij nooit gekund; ook bij de „Harpe Sions" miste men hem niet. Ekke bemerkte het zelf, geruststellend: zijn vrees voor nieuwsgierigen was zonder veel grond geweest. Het gebeurde nog het meest, dat kinderen, op weg naar school, bleven staan, om den vreemden, blonden reus op te nemen; zij waren het, die krachtens hun alomtegenwoordigheid iederen dorpeling kenden en tegenover hem een van de weinige keren in deze wetenschap faalden; en ook een enkele volwassene draaide zich af en toe om, als Ekke stug en met geknikte groet naar de bakkerij liep, of met de kruiwagen winkelwaren voor Regina van den vrachtrijder haalde. En als des avonds, onder het heldere licht van het voorjaar, dat wijd en parelig en laat over

Sluiten