Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Degenen, die Herre Tjallings Wiarda steeds met stugge achterdocht hadden waargenomen, kregen onverwacht gelijk. Was hij niet, die verdomde woudboer, op een kwade dag directeur gebleken van de grote fabriek, die van het voorjaar af tussen trekvaarten en spoorlijnen in de omgeving van het leeuwarder station werd opgetrokken, en waarvan het doel in den beginne duister geweest was? —■ Vele zakenlieden hadden in de maanden, waarop het hoge, hoekige, gele gebouw op het lege terrein verrees, des Zondags hun wandeling van Kalverdijkje of Bontekoe naar de zuiderkwartieren der stad verlegd, alleen in de hoop, hun weetgierigheid te kunnen bevredigen. Pas in de midzomer, toen men er machine's en ketels naar toe sleepte, ja, toen had iedereen gezien, dat het een zuivelindustrie zou worden, met condenswerktuigen en fonkelende karnen en kaaswrongels en weegtoestellen; en daar iedereen wist, dat er geen nieuwe boerencoöperatie was opgericht, moest het wel particulier geld zijn, dat daar eensklaps met zulk een gebouw, zulke apparaten en zoveel onrustwekkende ondernemingsdrift voor de dag kwam.

En nu bleek het Herre Wiarda, aan wien deze grote, glimmende nieuwigheid behoorde 1 Herre, die zich na zijn mislukking met de „Frigga" zo schijnbaar onverschillig en onverzoenlijk van iedere fabrieksonderneming had afgekeerd! Zij, die nooit hun verbeten naijver en concurrentiewrok hadden laten varen, vertelden het nieuws verder met sombere triomfantelijkheid; het had hun niet minder overrompeld dan de meer lichtzinnigen, maar zij waren nu eenmaal van nature meer ingesteld op de boosaardigheid van al wat leeft en elkaar het licht in de ogen misgunt, en verdroegen de schok

Sluiten