Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets van dien God was, wanneer ik Hem van de kansel af verkondigde. Ik was goed voor mijn gemeente, omdat ik van haar hield. Ik heb de waarheid niet willen zien, toen ik het kon, toen iemand mij de ogen wilde openen. —

Machteloos bevreemd luisterde Herre, tegenover hem. Hij had niets begrepen van wat Rudmer zei. Hij zag alleen, dat Rudmer ziek moest zijn, brein-ziek; en zijn vertwijfelde zorg sloeg hem hulpeloos. Ze zaten weer en zwegen; Rudmer s opgejaagde hand speelde, als afgeleid, met een sleutelring. Herre waagde voor het eerst een vraag:

Maar... wat ben je dan van plan? Het kind is er toch.

Het laatste zei hij voorzichtiger; de woorden gaven een vluchtig schokje aan Rudmer's ingezonken rust. Hij keek Herre niet aan, zijn vingers draaiden de sleutelring sneller.

— Ik moet geld hebben, Herre.

Een tel lang waren Herre's gedachten koud ontnuchterd. Geldl Rudmer kwam dus bij hem... om geld. Zijn broer kwam vol verslagenheid, en het bleek, dat het begonnen was om... geld. Het leek Herre, of er niets in zijn leven gebeuren kon, dat niet op een of andere verborgen wijze aan het geld gekoppeld wasl — De gedachte, de kille teleurstelling gleed voorbij; Herre's broederlijkheid won het.

— Waarvoor?

— Je hebt 't al gezegd: het kind. Carla, de zuster van... — Rudmer stokte, verbeterde zich — mijn schoonzuster voedt het op. Ik heb het voorlopig bij haar gelaten. Ik moet een jaarlijks bedrag op haar vastzetten.

Herre knikte. Rudmer glimlachte, zijn ogen keken langs Herre, ze waren kleiner, omfloerst door een inbeelding.

...En voor mezelf moet ik geld hebben. Je hebt het over

afleiding gehad. Ik wil reizen. Misschien helpt het me. Mensen,

andere landen, steden, schepen...

Herre knikte opnieuw. God! dacht hij, hoe moet het den jongen te moede zijnl Hij lei zijn hand met plotselinge vaderlijke warmte op die van Rudmer; in zijn stem was de kameraadschap van hun jongensjaren:

Sluiten