Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Goed. Het blijft als vroeger. Jij noemt het bedrag... ik lever.

Rudmer's mond bleef recht en stil.

— Als vroeger, hè? ...Ik kost je zo langzamerhand een klein vermogen... Maar je hoeft niet bang te zijn, dat je 't kwijt bent. Ik wil je bij voorbaat mijn kinderdeel afstaan •—•

Voor het eerst sprak Herre gekwetst, en hij was het:

•— Vraag ik dat dan?

Rudmer keek hem kortaf en verwonderd aan, als had hij een slechtere voorstelling van zijn broer; toen kroop oude trouwhartigheid in zijn blik en antwoord:

— Ik wou je niet te kort doen...

Herre drukte de braziliaan vastberaden uit.

•— Je doet mij niet te kort. Je bent mijn broer, en ik zelf sta borg voor je. •—1

Herre had het drankstel tussen hen in gezet, en voor de tweede keer groeide hulpeloze angst in hem, toen hij zag, hoe onbeheerst en haastig Rudmer de karaf leegde. Ze spraken niet meer; Rudmer schonk zich met lange onzekere hand in; hij proefde van elk glas met een kleine, herkennende aanvangsslok; dan wierp hij hoofd en glas tegelijk achterover en leegde het kelkje in één teug. — Over zijn gezicht kwam een onnatuurlijk rood, een opgeblazenheid, die de rimpels bedriegelijk vervaagde, en de schaduwen wegnam. Herre dronk niet meer; de neerslachtigheid woog zwaar op hem.

Het was al laat, toen hij Rudmer de weg naar de logeerkamer wees. Rudmer stond stamelend op, en vroeg voor het eerst naar Antje en de kinderen. Herre steunde zijn arm:

•— Je treft het, dat ze uutvanhuus zijn — naar mijn schoonouders.

Hij bracht Rudmer naar boven, stak het gaspitje voor hem op, liep zelf naar de overloop, om lampetkan en waterkaraf voor hem te vullen. Toen hij terugkwam, lag Rudmer onuitgekleed dwars over het tweepersoonsbed, voorover in de kussens; zijn blond haar stond woest omhoog; zijn adem ging

Sluiten