Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tjalling en Reinou... ja, zovaak Herre hen opzocht, bemerkte hij, dat zij nog minder dan Herre begrepen, wat er met Rudmer gebeurde en dat deze ongewisse kwelling hun leven ondermijnde. Herre zag althans in, dat de dood van Ruth verscheurende gedachten in Rudmer wakker geroepen had, die er toch al eerder geweest moesten zijn, en waaraan hij in wanhoop probeerde te ontvluchten. Hij troostte zijn ouders, zo goed hij kon; maar het ging hem slecht af. En in zijn eenzaamheid was hij mismoedig over Rudmer's lot; dat moest verkeerd gaan, dat werd het gekkenhuis, of — hij dorst andere noodlottige mogelijkheden niet eens onder ogen zien. — Hij bemerkte, aan alles, hoe na het denkbeeld van een gezonden en gevierden Rudmer hem aan 't hart gelegen had. Dr. Rudmer Wiarda. Er had zo'n deugdelijke klank in die titel en die naam gescholen. En nu schoof de schaduw over deze familieglorie; de man, die met hem de naam van de Wiarda's groot zou maken, was een geknauwde, een soort vluchteling, die alle eerzucht en alle houvast verloren had. — Herre herinnerde zich, op de zonderlingste momenten, onder besprekingen met de bedrijfsleiders, des morgens bij het doorkijken van de dringendste post, Rudmer's angstaanjagende uitlatingen over God. Hij zag het schraal getrokken gezicht met de ziekelijk honende uitdrukking in de ogen. Herre bevroedde niet, wat er achter dit alles stak. Hij zag alleen, dat Rudmer uit de sporen van het bestaan geslingerd was.

Herre had van het geloof nooit een vraagstuk gemaakt. Hij ging een enkele maal uit welbegrepen plichtsbesef en een soort overgeërfde vormelijkheid naar de vermaning in de stad; hij ontving den dominé aan huis met het onderworpen, boerse respect, dat hij tegenover predikanten nog steeds niet van zich af had kunnen zetten; hij gaf aan het weduwen- en wezenfonds; hij betaalde een hoofdelijke omslag, die er wezen mocht. Aan God dacht Herre Wiarda niet. De dominé zei, dat hij er was en dat de mens daarvoor de innerlijke zekerheid bezat, en Herre nam het van hem aan als van iemand, die het krachtens zijn ambt weten kon. Maar de kerk... de kerk

Sluiten