Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tjisse was wel de zonderlingste vrek en potentaat, dien hij ooit ontmoet had... Het liefst had Herre met een grondige verwensing dit ongelukshuis willen verlaten. Hij dronk even van de opgewarmde koffie en probeerde, een speels rookwolkje te blazen, alsof alles volgens de regel was. Tjisse zat daar, in zijn gewone grauwe onaantastbaarheid; zijn gezicht onder de kaalglimmende, gele schedel veranderde niet, terwijl hij Herre opnam. Ten slotte vermande Herre zich; ze moesten toch tot iets komen!

— Ja, Landman, je begrijpt, dat ik hier ben over die zaak van gisteren... Misschien ben ik niet duidelijk genoeg geweest. Ik wou er nog eens met je apart over spreken. •—•

Tjisse bekeek de fijne as van de sigaar, die zijn gast hem gegeven had.

.—' Aan de duidelijkheid mankeerde 't niet, antwoordde hij langzaam. — En wat die zaak betreft... waarom moet je mij daarover apart hebben? Ik ben toch niks meer dan de anderen ?

Herre knikte haastig en vol ernst.

•— Jawel, Landman, ik wil er niet omheen draaien... als er iets van dat plan komen wil, waarover ik het had, kunnen we jouw fabriek d'r zeker niet bij missen.

Een lichte, listige glimp verschoot in Tjisse's ogen. Hij sloeg ze snel neer, als voelde hij zelf, dat zijn blik hem den ander zou verraden.

•—• En... voor wie doe je dit eigenlijk, dit onderhandelen, bedoel ik? vroeg hij onverhoeds.

Herre verborg zijn verrastheid onder gemaakte verbazing.

■—1 Voor wie ? Voor wie anders dan in 't belang van mezelf... en de rest?

Tjisse maakte een verachtelijke handbeweging.

— Ouwe rotten als jij zien verder dan hun neus lang is... Nee, Herre, als je openhartig spreken wilt (de valsaard! dacht Herre woedend), dan moet je 't ook wézen... Die fabriek is natuurlijk niet van jou alléén; je komt in opdracht... Daar zitten zeker Hollanders achter, of misschien wel vreemd geld!

Sluiten