Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nationale Bibliotheek zal kunnen en naar het inzien Uwer Commissie behooren aangelegd te worden."

Na voorgesteld te hebben om de kwestie van verdere directie, inrichting en gebruik der bibliotheek te doen behandelen door een Commissie van drie personen uit het Vertegenwoordigend Lichaam, waarvan twee door de Eerste en een door de Tweede Kamer te benoemen zou zijn, gaf de Commissie ten slotte nog kennis „den Burger K. Flament, welken wy tot het in order brengen der Bibliotheek hebben geëmployeerd, en die ons van zynen iever en ervaarenheid in dat vak van werk steeds die doorslaande bewijzen gegeven heeft ter meerdere bespoediging reeds hebben gelast het formeeren van eene beredeneerde Catalogue, zonder eenig onderscheid van form, naar aanleiding der materie, waaruit met een opslag van het oog, om zoo te spreeken, zal kunnen gegeven worden, welken schat deeze Bibliotheek en ieder boek op zich zelfs in zich bevat, het [welk] wy voor het gemak en gerief der gebruikers allernoodzaaklijkst geoordeeld hebben".

Er was — dat blijkt wel — in korten tijd heel wat bereikt. Men had de bibliotheek behoorlijk ondergebracht en geordend, de boeken genummerd en van etiketten voorzien, een bedrag aan geld beschikbaar gesteld, dat de nieuwe instelling de onontbeerlijke financieele basis verschafte en voor haar een bibliothecaris gevonden, die in alle opzichten berekend was voor zijn taak en thans een catalogus voorbereidde. En toen dan naar aanleiding van het voorstel tot het benoemen der personeele Commissie de Tweede Kamer in haar zitting van 26 April 1799 haar Lid U. J. Huber *) en de Eerste Kamer de vertegenwoordigers A. J. Verbeek en H. van Royen op den ien Mei als leden aangewezen had 2) — toen was daarmede na een langen administratieven weg ook de definitieve ambtelijke instantie geschapen, die in den vervolge bij voortduring de belangen der bibliotheek behartigen zou.

Onder toezicht van en in nauwe samenwerking met deze Bibliotheekcommissie werkte Flament nu gestadig door aan den catalogus. Het archief van de Commissie schijnt, helaas, verloren te zijn gegaan, maar afgaande op de enkele minuut-brieven, die ons van Flament's hand aan de Commissie of aan Verbeek zijn overgebleven, mogen we wel aannemen, dat er over de gewone bibliotheekzaken een voortdurend nauw contact bestond. Zoo schreef Flament den

1) Besl. Tweede Kamer. Dl. IX (April 1799), blz. 506.

2) Besl. Tweede Kamer. Dl. X (Mei 1799), blz. 66.

Sluiten