Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middel zouden maken. Het feit, dat Flament met de destijds in catalogi nog zoo gangbare indeeling der boeken naar hun formaat definitief gebroken had, heeft daartoe zeker ook veel bijgedragen.

Had de verdienstelijke arbeid, dien Flament in korten tijd met dezen catalogus had verricht, ongetwijfeld veel van zijn werkkracht gevergd, anderzijds hebben wij te bedenken, dat hij in de bibliotheek niet geheel van alle hulp verstoken was. Bij de aanvankelijke werkzaamheden van de opstelling had hij de beschikking gehad over „2 hommes de peine actifs et intelligens" 1), terwijl wij hem later hooren spreken over „den jongeling", die in de bibliotheek de noodige hand- en spandiensten voor hem te verrichten had. Uit de fondsen van de bibliotheek kon dan ook een dergelijke hulp, die overigens het luttele bedrag van 6 stuivers per dag verdiende, gemakkelijk betaald worden. Alle kosten immers van vuur, licht en onderhoud kwamen, doordat de bibliotheek in het Nationaal Hotel was ondergebracht, niet te haren laste, zoodat bij het zuinig beheer van de Commissie de inkomsten de uitgaven vrij belangrijk overtroffen.

Diezelfde neiging tot zuinigheid had de Commissie het salaris van Flament wel wat al te laag doen vaststellen. Reeds den i4en Januari 1800 wendde hij zich tot een van de Directeuren, Besier, met het verzoek als translateur nog eenige bijverdienste te mogen krijgen, welk verzoek hij den 8en Juli van dat jaar in een schrijven aan het Uitvoerend Bewind herhaalde. „Buiten den dienst van de Bibliotheek heb ik genoegzaam sedert twee jaaren, zoo uit vriendschap als bij absentie van den Burger Vatebender, bij het Agentschap van Buitenlandsche Betrekkingen, maar voornaamlijk ook bij dat van Oorlog, als Fransch translateur gefungeerd ; en niets zoude mij aangenamer zijn dan daarin nog langer te kunnen voortvaaren. Van den Burger Repraesentant Verbeek gehoord hebbende, dat het Bewind bij decreet van het Vertegenwoordigend Lichaam is gelast om eenen voordragt te doen wegens het aanstellen van een algemeene translateur van de Latijnsche en Fransche taaien, zoo neem ik, ingeval deze nieuwe aanstelling den burger Valebender niet mocht betreffen, de vrijheid om de verdere voortgang van mijnen dienst met gepasten eerbied aan te bieden." En hij voegt daaraan toe : „Van de Commissie tot

') Aldus in Flament's rapport van 24 Januari 1814 aan A. J. C. Lampsins. Arch. K.B.

Sluiten