Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat deze voor de Nationale Bibliotheek zoo gunstige bepaling in de wet opgenomen was, kan met vrij groote zekerheid voor een belangrijk gedeelte aan Flament's invloed worden toegeschreven. Immers, reeds in Januari 1803 had het Staatsbewind een wet tegen het nadrukken bij het Wetgevend Lichaam voorgedragen, waarin geenerlei verplichting van de uitgevers voorkwam 1). Het schijnt, dat men toen al spoedig op deze lacune gewezen is. Wij hebben althans een rapport van Flament over, gedateerd 29 Januari 1803, waarop hij eigenhandig als titel geschreven heeft : „Quelles sont les raisons, d'après lesquelles on peut demander la déposition a la Bibliothèque Nationale d'un exemplaire de chaque ouvrage, qui s'imprime dans toute 1'étendue de la République" 2). Het rapport, gericht aan iemand, die hem zijn meening over deze kwestie gevraagd had — naar alle waarschijnlijkheid een der Commissarissen der Bibliotheek — wees op de desbetreffende bepaling in het Decreet van de Fransche Conventie van 13 Juli 1793 en ging uitvoerig de juridische motieven na, op grond waarvan de deponeering geëischt kon worden, terwijl het ook de voordeelen in het licht stelde, die hieruit voor de Nationale Bibliotheek zouden voortvloeien. Den 25en April zien we dan het Staatsbewind de voordracht aan het Wetgevend Lichaam terug vragen, om haar, op verschillende punten gewijzigd — waaronder de deponeering in de Nationale Bibliotheek wel het voornaamste was —, den 20etl Mei weer in te dienen, wat tot de aanneming op 3 Juni door het Wetgevend Lichaam leidde. De veronderstelling is derhalve niet gewaagd, dat tot deze wijziging ten gunste van de Nationale Bibliotheek, Flament's betoog zeer veel heeft bijgedragen.

Hoewel uit de hierboven aangehaalde opmerking in het rapport van Flament uit 1814 af te leiden valt, dat de naleving dezer wet nogal wat te wenschen overliet, was anderzijds het voordeel voor de bibliotheek toch niet zoo gering. Blijkens het register der gedeponeerde boeken immers werden in het halfjaar 1803 79 nummers en in de drie volgende jaren respectievelijk 101, 192 en 356 nummers ontvangen. Dat de groote uitgevers zich over het algemeen wel aan de bepalingen hielden, mag op grond

*•) Notulen Staatsbewind, 10 Januari 1803, Nr. 28 en Missive Nr. 5. 2) Arch. K.B.

Sluiten