Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatste vijf keer per week van 10 tot 2 uur geopend kunnen zijn voor het publiek. Uitleening buiten de bibliotheek zou uitzondering moeten blijven, terwijl het medenemen van boeken buiten de residentie slechts in zeer exceptioneele gevallen zou moeten worden toegestaan. Van de uitleening diende men natuurlijk ook een register aan te houden. Naar Meerman's oordeel ten slotte was de Koninklijke Bibliotheek ook de aangewezen plaats voor een munten- en penningverzameling, wanneer de Koning deze eens mocht aankoopen. Verdere antiquiteiten waren beter in een Museum onder te brengen *).

Wij hebben dezen brief een weinig uitvoeriger besproken, omdat hij de grondslag vormt voor de inrichting van de Koninklijke Bibliotheek onder Lodewijk's regeering en in vele opzichten ook nog voor lateren tijd. Lodewijk keurde nl. Meerman's denkbeelden goed met dit beding, dat boeken nimmer buiten de bibliotheek mochten medegegeven worden en dat platen en handschriften een afzonderlijke afdeeling der bibliotheek zouden vormen. Hiermede diende Meerman dus bij het ontwerpen van een reglement, waarvoor hij thans definitief opdracht kreeg, rekening te houden 2). Al zeer spoedig daarop leverde Meerman zijn concept in, waarbij hij den Koning in overweging gaf het subsidie te verhoogen tot ƒ6000, o.a. in verband met het feit dat Lodewijk ook gravures tot het domein van de bibliotheek rekende 3). Bij decreet van 15 Januari 1808 werd dan het reglement van 32 artikelen voor de Koninklijke Bibliotheek vastgesteld, waarvan de bepalingen geheel in overeenstemming met de door Meerman ontwikkelde denkbeelden waren 4).

In vergelijking met het vroegere reglement was het natuurlijk een groote vooruitgang, dat voor de bibliotheek voortaan een vast bedrag uitgetrokken zou worden op de Staatsbegrooting en dat ze zonder eenig voorbehoud tot publieke bibliotheek werd verklaard. Minder liberaal was echter het nieuwe reglement door het absoluut verbod van uitleening, dat door Lodewijk's toedoen was opgenomen. Opmerkelijk is verder het eerste artikel, waarin het heet, dat de Koninklijke Bibliotheek „in een geschikt lokaal binnen onze goede stad Amsterdam zal worden geplaatst, zoodra de omstandigheden zulks zullen toelaten". Dit hield verband met

') A.R.A. Archief Binn. Z. Portef. 899. Minuut v. Meerman.

2) A.R.A. Archief Binn. Z. Portef. 906. Copie brief v. Lodewijk v. 7 Nov. 1807. Het origineel in het Museum Meermanno-Westreenianum.

3) A.R.A. Archief Binn. Z. Portef. 899. Minuut v. Meerman dd. 13 Nov. 1807.

4) Deer. en besl., 15 Jan. 1808, Nr. 7. Zie Bijlage 3.

Sluiten