Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagen diende Flament zijn ontwerp in x), maar uit de notulen van de vergaderingen blijkt niet, dat een definitief plan betreffende de theologie in den Raad nog ter sprake gekomen is, om van de overige wetenschappen te zwijgen. Zoo was bij het einde van Lodewijk's regeering de ordening der bibliotheek, door Meerman als een zoo eenvoudige zaak voorgesteld, nog in het geheel niet bereikt.

Een feit, dat de voortgang der werkzaamheden had kunnen bevorderen, was Flament's terugkeer in de Koninklijke Bibliotheek op i October 1809. Doch deze gebeurtenis was den arbeid daar veel minder ten goede gekomen, dan men aanvankelijk zou meenen. De verhouding van Flament tot Stratenus en Meerman was nl. vrij koel en vooral in de eerste maanden van zijn terugkeer zelfs gespannen. Mag in den loop van 1810 de verwijdering wat minder groot zijn geworden, van een werkelijke vruchtbare samenwerking zal toch geen sprake zijn geweest. Aangezien dus tot recht begrip van de toestanden in de bibliotheek tijdens het laatste regeeringsjaar van Lodewijk eenige kennis omtrent de persoonlijke verhoudingen onontbeerlijk is, kunnen we deze niet geheel onbesproken laten.

Het is niet zoo gemakkelijk nauwkeurig vast te stellen, wat nu eigenlijk de betrekkingen tusschen deze drie menschen zoo grondig bedierf. Flament immers laat in zijn correspondentie vrijwel geen gelegenheid voorbijgaan om zich voor te doen als een geleerde en man des vredes, volkomen gelukkig met een bescheiden en rustigen post, vurig verlangende zich naar de inzichten van zijn superieur Meerman te gedragen en in de grootste harmonie met zijn collega Stratenus samen te werken. In werkelijkheid is het echter wel zeker, dat de zaken in het geheel niet naar Flament's zin geloopen waren en dat hij, de onctie zijner brieven ten spijt, een allesbehalve tegemoetkomende houding aannam, ja, zelfs zich niet ontzag te intrigeeren tegen de personen, wier positie hem een doorn in het oog was.

Voor Flament, zoo begeerig om zichzelf een onderkomen in de bibliotheek te verschaffen, zoo gevoelig voor alle inbreuk op zijn rang en positie, zal het geen onverdeelde vreugde geweest zijn door zijn benoeming tot secretaris des Konings zich in Lodewijk's omgeving te moeten ophouden, waardoor hij de zorg voor de bibliotheek aan anderen moest overlaten en zijn moeizaam veroverde woonvertrekken onbeheerd wist. Nauwelijks was Stratenus tot

]) Mus. Meerm.-Westr. Flament aan Meerman 12 Juli 1810.

Sluiten