Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzamelingen in de Groote Bibliotheek brachten? Natuurlijk bevonden zich hieronder vrij wat ambtelijke publicaties, die in elk der Ministeries voorhanden waren en meestal ook reeds in de Groote Bibliotheek zelf, zoodat het zeer begrijpelijk is, Meerman reeds den i3en Februari aan Lebrun het verzoek te zien richten om machtiging tot verkoop van de groote hoeveelheid doubletten. Toch vindt men op verschillende der overgelegde lijsten x) ook tal van boeken, die voor een publieke verzameling ongetwijfeld van waarde waren — gelijk b.v. de land- en reisbeschrijvingen van het Ministerie van Marine en Koloniën —, zoodat deze transactie in het algemeen de Groote Bibliotheek zeker van voordeel geweest is. Helaas beraamde men van hooger hand te zelfder tijd reeds maatregelen, die allerminst den bloei der Bibliotheek beoogden.

Reeds den iyen Juli 1810, acht dagen na Napoleon's inlijvingsdecreet, had de Minister van Binnenlandsche Zaken te Parijs, Montalivet, een aanschrijving tot verschillende landdrosten, w.o. die van Maasland, gericht voor een inventarisatie der wetenschappelijke instellingen, in de eerste plaats de bibliotheken. Het lijdt geen twijfel, dat een van de doeleinden van dit onderzoek was verrijking der Fransche verzamelingen. Bij afzonderlijke nota had toen de Landdrost van Maasland den 30en September 1810 eenige inlichtingen omtrent de Groote Bibliotheek verstrekt2). Sinds dien bleef het oog der autoriteiten op deze bibliotheek gevestigd.

In de vergadering van den Raad van Administratie deelde Flament den i7en Januari mede „dat hij voor weinige dagen te Amsterdam zijnde, zijne opwachting aan den Heer d'Alphonse, Intendant van Binnenlandsche Zaken in Holland gemaakt had, en dat deze hem bij die gelegenheid gezegd had, dat het noodig zoude zijn hem zoo spoedig mogelijk eene volkomene lijst van alle zich op de bibliotheek bevindende werken te doen toekomen, ten einde die aan den Minister van Binnenlandsche Zaken in Frankrijk te kunnen zenden, en dat hij, Bibliothecaris-generaal, aan gemelden Intendant gezegd had die lijst uiterlijk binnen drie maanden aan hem te zullen inzenden" 3). Deze mededeeling wekte nogal ontstemming in den Raad. Stratenus althans vroeg of „dergelijke mondelinge communicatiën als ordres moesten worden beschouwd"

0 Arch. K. B.

2) G. A. Evers in Bibliotheekleven IV (1919), blz. 167—171 en V (1920), blz. 151—152.

3) Arch. K.B. Notulen Raad v. Adm.

Sluiten