Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is een geluk voor de Vorstelijke Bibliotheek en tevens voor Flament geweest, dat de opvattingen van den Souvereinen Vorst andere waren dan van zijn Kamerheer. Bij besluit van den 25en April werd Lampsins gemachtigd om op den voet als hij had voorgesteld de bibliotheek met alles wat daarbij behoorde over te nemen. Hij werd verder gecontinueerd in de Provisioneele Directie van de bibliotheek op een tractement van ƒ 2000 's jaars, terwijl de gelden voor deze instelling gevonden moesten worden op de begrooting van het Departement van Binnenlandsche Zaken. Overeenkomstig zijn voorstel werd ook Bousquet ontslagen, maar alle overige punten bleven gereserveerd „voor eene nadere deliberatie zoo dra gebleken zal zijn, welke omvang de terugzending der in Parijs gereclameerde voorwerpen van kunst en natuurlijke historie aan het voorschrevene etablissement zal kunnen geven en in welke relatie tot de wetenschappelijke inrigtingen in het algemeen het meest voegzaam zal zijn, hetzelve te plaatsen" 1).

Zoo had op den 4en Mei 1814 in het Mauritshuis de overdracht plaats, waarbij Lampsins uit handen van de gecommitteerden van Den Haag 't Hoen en Jochems de bibliotheek, de schilderijen en verdere kunstvoorwerpen alsmede de effecten, behoorende tot het fonds der bibliotheek, tot een totaal van ƒ 82.300 ontving2). Het is duidelijk, dat daarmede een toestand intrad, die met recht „provisioneel" mocht heeten. Alle definitieve bepalingen omtrent de organisatie der vorstelijke verzamelingen waren immers onmogelijk, voordat men wist, welk resultaat de onderhandelingen over de teruggaaf der naar Frankrijk gevoerde kunstwerken, boeken en handschriften hadden.

Dat Lampsins deze onzekerheid weinig aangenaam vond, is buiten allen twijfel. Herhaaldelijk blijkt uit zijn brieven aan den Souvereinen Vorst, dat hij gaarne aan zijn provisioneele directie een permanent karakter gegeven zou zien. Uit de laatste maanden van 1814 reeds dateert een concept-reglement voor de bibliotheek, omdat hij, volgens zijn verklaring, bevreesd was, dat er weinig of niets van de voorwerpen van kunst en wetenschap terugontvangen zou worden. Juist daarom verwondert men zich over den groot-

') Arch. K.B. Besluit van 25 April 1814, Nr. 5.

2) Het officieel „Recief" afgedrukt in A. W. Kroon, Beschrijving van 's Gravenhage. 's Gravenhage, 1852, blz. 269. Zie ook A. W. de Vink, t.a.p., blz. 91 v. en blz. 131, waar echter voortdurend van Lampsius gesproken wordt, een fout, in het voorbericht van de door het Mauritshuis uitgegeven „Catalogue raisonné des tableaux et sculptures", 3e éd. La Haye, 1935 overgenomen.

Sluiten