Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruim 1200 nummers groot, werd in Juni 1816 in de Koninklijke Bibliotheek opgenomen. Zeer veel grooter was de bibliotheek van de Z.g. Hoogduitsche Kanselarij, die, naar het schijnt, een omvang van meer dan 10.000 deelen heeft gehad en die in 1817 aan de Bibliotheek werd afgestaan 1). Deze verzameling bestond vooral uit juridische literatuur en polemische geschriften op godsdienstig gebied.

Ging in 1818 de belangrijke aankoop van de handschriftenverzameling van den overleden secretaris der Belgische Academie, G. J. Gérard, althans voorloopig, aan de Koninklijke Bibliotheek voorbij, gelukkiger was men met de boeken van dezen geleerde, welke na de zoo goed geslaagde transactie met de manuscripten, in 1819 door zijn weduwe aan den Koning werden aangeboden. Flament, die zijn oordeel moest zeggen over de waarde der bibliotheek en over het belang, dat eventueele aankoop voor de Koninklijke Bibliotheek hebben zou, wees er op, dat het hier geen verzameling betrof, die zich door kostbare uitgaven onderscheidde, maar wel door de zorg en kennis, waarmede ze was bijeengebracht. Behalve de vele edities van Plantij n, Elzevier, Aldus en Etienne was het vooral de omvangrijke collectie geschriften — meer dan de helft van het geheel — op het gebied der vaderlandsche geschiedenis, die te roemen viel. Voor de Koninklijke Bibliotheek had juist daarom deze boekerij een bijzonder belang; weliswaar bezat men al zeer veel over de historie der Republiek, maar omtrent de Zuidelijke Nederlanden was men veel slechter voorzien. En op dit gebied was Gérard's bibliotheek bijzonder rijk, om nog te zwijgen van de meer dan duizend pamfletten uit den tijd van den opstand tegen Jozef II, waaronder zich zeer veel zeldzame stukken bevonden 2).

Flament schatte de waarde der bibliotheek op ƒ8000, maar de Minister deelde in zijn brief van 21 April 1819 aan den Koning mede, dat hij zich niet gerechtigd achtte tot den aankoop te adviseeren, omdat hij dit bedrag niet uit de begrooting van zijn Departement voor het loopende dienstjaar vinden kon. Dat desondanks de verzameling in de Koninklijke Bibliotheek terecht gekomen is, is te danken aan de daadwerkelijke hulp van Willem zelf, die haar den

*) De Hoogduitsche kanselarij was de voortzetting van het z.g. Deutsche Hofdepartement, dat na de vereeniging van de Nassausche landen in 1743 in Den Haag was opgericht en onder den nieuwen naam nog een aantal jaren in de ige eeuw heeft bestaan.

2) A.R.A. Archief Ond., Nat. Nijv. en Kol. Afd. K.W. Rapport v. Flament v. 16 April 1819, bijlage bij schrijver van den Minister van 21 April.

Sluiten