Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kreeg Flament opdracht met de werkbazen over een zoo spoedig mogelijke oplevering van het werk het eens te worden 1).

In hoeverre deze aansporing succes had, blijkt uit de briefwisseling niet, maar de in Juli 1820 door Flament uitgebrachte rapporten doen wel zien, dat inderdaad het werk maar langzaam opschoot. De tweede verdieping was toen gereed, de eerste bijna. Aan het plaatsen van de boeken moest toen natuurlijk nog geheel begonnen worden. Om dit werk sneller te doen verloopen, wilde Flament de bibliotheek aanvankelijk juist zoo plaatsen als dat in het Mauritshuis het geval was. Een tweede ordening zou dan noodig zijn door het groote aantal werken, naar Flament's schatting misschien wel 25.000, dat in de laatste jaren verworven was. Ook de „eerste aanleg" intusschen zou al veel tijd kosten en onder de bediening van het publiek door moeten gaan. Maar, zoo meende Flament, dit zou geen al te groote bezwaren geven. Hij durfde zelfs nog meer voorstellen, nl. om bij den aanvang van het volgende jaar de bibliotheek op alle werkdagen, den Zaterdag uitgezonderd, open te stellen. Hoewel hij zich de verplichingen, die dit meebrengen zou, zeer wel bewust was, meende hij, dat hij en zijn opvolgers zich die toch moesten getroosten, ten einde de kostbare bibliotheek zoo nuttig mogelijk voor den lande te doen zijn 2).

Was het inderdaad alleen onbaatzuchtigheid, die Flament tot dit voorstel bewoog ? Eenige twijfel is wel gewettigd, wanneer we zien, hoe hij onmiddellijk daaraan weer het verzoek vastknoopte, in het gebouw eenige vertrekken als woning tot zijn beschikking te mogen krijgen, aangezien zijn doorloopende aanwezigheid nu nog meer noodig zou zijn. Hij had nu de voldoening, dat hem bij besluit van den i8en Augustus 1820 toegestaan werd de bewoning „van zekere drie ledig staande vertrekken op de derde verdieping" 3). Maar wanneer hij in December Falck mededeeling doet, dat een goed gedeelte van de bibliotheek van Gérard en uit het slot Dillenburg 4) al geplaatst was en dat hij in Januari 1821 de bibliotheek voor het publiek hoopte open te stellen, dan vraagt hij wel om een extra assistent voor toezicht in de zalen op de eerste verdieping, waardoorheen immers het publiek zich naar de leeszaal zou moeten begeven en die ook vrijelijk bezichtigd mochten worden, maar over de liberale open-

') Archief K.B. Minister aan Flament 17 April 1820.

2) A.R.A. Archief Min. Ond., N. N. en Kol. Afd. K.W. Rapporten van 7 en 25 Juli 1820.

s) Arch. K.B.

4) Zie blz. 93.

Sluiten