Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getijdenboek, nl. van Catharina van Arragon, verworvenx). Dit laatste werd echter nog wel overtroffen door het „Vie de St. Hubert", dat in 1826 voor ƒ 250 in Luik uit de gelden van de bibliotheek door het Ministerie was aangekocht. Het handschrift, in 1463 in Brugge door David Aubert voor Philips den Goeden vervaardigd,bevat dertien miniaturen van de hand van Loyset Liédet2). Opmerkelijk is het wel, dat bij deze en de volgende aankoopen de Koninklijke Bibliotheek doorgaans volkomen passief was, ja dikwijls in het geheel niet werd geraadpleegd. Zoo was het ook weer aan het initiatief van den Minister van Justitie Van Maanen te danken, dat men in 1826 op de verkooping van de bibliotheek van Mr. P. van Musschenbroek, waarbij zooveel, dat voor onze geschiedenis van belang was, ons land verliet, nog op een aantal belangrijke stukken de hand kon leggen, die voor een deel in het Rijksarchief en voor een deel in de Koninklijke Bibliotheek werden geplaatst3).

Zeer gelukkig was men in de jaren 1829 en 1830. In het eerste jaar was door den Koning voor ƒ 1134 te Leuven het prachtige handschrift in twee deelen van den z.g. Tweeden historiebijbel gekocht, dat, hoewel genaamd „de bijbel van 1360", omstreeks 1430 in Utrecht vervaardigd geweest moet zijn4). Van 1830 dateert de verwerving van een der kostbaarste kleinoodiën der Koninklijke Bibliotheek, het Evangeliarium Egmundanum, dat van de Oud-bisschoppelijke Clerezij te Utrecht voor ƒ 800 — die echter evenmin als de ƒ 1134 in het vorige jaar ten laste van de bibliotheek kwamen — gekocht werd. Het uit de ge en ioe eeuw dateerende handschrift is, gelijk men weet, niet alleen uit geschiedkundig oogpunt van het hoogste gewicht,

ook oorspronkelijke archivalia bevonden. De predikant Visser kreeg als beoefenaar der Friesche historie de verzameling, die voor de Koninklijke Bibliotheek bestemd was, ten gebruike, welk recht na zijn dood overging op Hendrik Amersfoordt, den rector der Latijnsche scholen te Sneek. In 1833 werden de stukken eindelijk naar de Koninklijke Bibliotheek overgebracht. In 1851 bewees W. Eekhoff van een tiental stukken, dat ze behoorden tot de archieven van Sneek, waarna ze in dat jaar met ministerieele machtiging in ruil voor eenige boekwerken aan het stedelijk bestuur en aan het weeshuis van Sneek teruggegeven werden. In 1854 vroeg het Friesch genootschap een aantal uit verschillende archieven afkomstige stukken terug, die in 1855 in ruil tegen een Frieschen incunabel zijn afgestaan. Slechts enkele handschriften o.a. van Jancko Douwama en Worp van Thabor heeft de Koninklijke Bibliotheek gehouden.

1) Zie A. W. Byvanck, a.w., Nr. 29.

2) Ibid., Nr. 26.

3) Zie Bakhuizen v. d. Brink's Overzigt van het Nederlandsche Rijksarchief. 's-Gravenhage, 1854, blz. 115 vv.

4) Zie A. W. Byvanck, a.w., Nr. r6.

Sluiten