Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brunet was gewijzigd1). Een alphabetisch register der auteursnamen, dat hierbij behoorde, ontbrak echter. Slechts een klein gedeelte van de boeken droeg in dezen catalogus nummers en verreweg de meeste werken, die later aangekocht werden, zette men eenvoudig daar, waar ze systematisch thuis hoorden en voegde hun titels op de overeenkomstige plaats in den catalogus in. Een belangrijk deel van de nieuwe aanwinsten werd echter met nog minder zorg behandeld, doordat men titels en boeken niet op de hun toekomende plaats in de verschillende vakken van wetenschap onderbracht, maar ze gemakshalve slechts bij die vakken plaatste; gelijk Flament dit noemde, „en attendant". Het was deze „orde", die ook bij de opstelling van de boeken in het nieuwe gebouw in het Voorhout gevolgd werd en waarop in de volgende jaren werd voortgewerkt. Zelfs deed men nog een stap verder op het hellende vlak, doordat men na den dood van De Wit de boeken zelden anders dan in de registers van aanwinsten inschreef en ze, zonder er een titel van te bezitten, „en attendant" in de bibliotheek opborg. Bij gebrek aan een behoorlijke nummering was het wel onvermijdelijk, dat dergelijke werken tusschen de andere verdwaald raakten. Nog erger was het gesteld met de collectieve aanwinsten als de boekerijen van Gérard, Dillenburg en Tongerloo, die her en der in de bibliotheek voorloopig waren geplaatst en voor zoover de laatste bibliotheek betrof, zelfs ordeloos over den grond van tweede verdieping en zolder verspreid lagen 2). Van deze laatste wantoestanden was het Departement ongetwijfeld niet op de hoogte, maar wel wist men daar sinds jaren, dat er bij de catalogiseering een aanzienlijke achterstand was.

Vandaar dan ook, dat in Februari 1826 Flament's mededeeling, dat de catalogiseering was hervat, door Van Ewijck met voldoening was begroet3). Toch was er toen al dadelijk alle reden om aan het welslagen van deze poging te twijfelen, daar in een ondershands aan Van Ewijck gezonden briefje over de verdeeling van de werkzaamheden Flament over Beeloo's medewerking, waarvan toch zeer veel afhing, een weinig optimistisch geluid deed hooren. Wanneer wij derhalve in de komende jaren over de catalogiseering niets vernemen, is dat niet verwonderlijk. Wel werd in 1827, geheel onafhankelijk daarvan, als gevolg van 's Konings besluit inzake het schrijven van

J) Men zie hiervoor Edward Edwards, Memoirs of libraries, II (London, 1859)» P- 781 v., 796.

2) Arch. K.B. Rapport van Holtrop aan den Minister van 8 Oct. 1835.

3) Arch. K.B.

Sluiten