Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen moest met den „beweeglijken" catalogus bij te werken en derhalve de bibliotheek opnieuw te ordenen. Of Flament zich bewust was van het werk, dat op deze wijze verricht moest worden, blijkt niet; hij volstaat met de herhaalde verzekering, dat er zeer veel arbeid werd vereischt, te meer daar de reeds bestaande titels allerminst onberispelijk waren. „La majeure partie de nos titres ou abrégés avec intelligence, comme pour un catalogue domestique, ou transcripts avec toute la prolixité possible par des copistes plus ou moins ignorans en pareille matière, tout cela doit être refait en tout ou en partie" 1).

In zijn antwoord verklaarde Minister Van Gobbelschroy zich voor het gebruik van de latijnsche taal, maar verzocht tevens te overwegen of naast den wetenschappelijken catalogus de aanleg van een alphabetischen catalogus voor het huishoudelijk gebruik in de bibliotheek geen aanbeveling zou verdienen2). Daarvan wilden echter noch Westreenen noch Flament iets weten. Men zou op den wetenschappelijken catalogus een index van namen maken, maar dat was dan ook alleszins voldoende. Een alphabetische catalogus, waarin de titels uitvoerig werden opgenomen, was een dubbel en nutteloos werk; indien men den juisten titel wilde weten, dan had men toch altijd nog het titelblad van het boek! De Minister zwichtte voor deze argumenten en keurde dus definitief de vervaardiging van een „wetenschappelijken" catalogus goed, met de toezegging, dat door Flament voorstellen konden gedaan worden voor de hulp die bij dit werk onontbeerlijk zou zijn 3). In verband hiermede stelde Flament bij schrijven van 21 Februari 1830 voor, dat hij zelf zich met de systematische indeeling der boeken zou belasten, terwijl Münch de titels te vervaardigen had. Daar de laatste echter te veel andere werkzaamheden had om binnen afzienbaren tijd de 25.000 h 30.000 titels, die in den catalogus verwerkt moesten worden, te vervaardigen, was de hulp van een paar ontwikkelde jongelieden met aanleg voor bibliografie onontbeerlijk. Met hun medewerking zou wellicht in ruim twee jaren het werk volbracht kunnen worden 4). De Koning keurde een desbetreffend voorstel van den Minister goed, zoodat de laatste den

1) A.R.A. Archief Min. Binn. Z. na 1813. Ond., K. en W. Brief van Flament van 14 Sept. (lees 14 Oct.) 1829 aan Van Ewijck als bijlage bij schrijven van den Minister van 9 Nov. 1829.

2) Arch. K.B. 9 Nov. 1829.

3) Arch. K.B. 31 Dec. 1829.

4) A.R.A. Archief Min. Binn. Z. na 1813. Ond., K. en W. Brief van Flament als bijlage bij voorstel van den Minister van 11 Maart.

Sluiten