Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vooral met de geldmiddelen was het in dezen tijd nog allerdroevigst gesteld. Met name vóór 1848 moet het voor uitbreiding der boekenverzameling uitgetrokken bedrag van ruim ƒ 2000, in de jaren der financieele benauwenis nog met 5 % verminderd, minimaal genoemd worden. Wel gaf het Ministerie zoo nu en dan een extracrediet voor aankoop op een veilingx) of nam het de aanschaffing van bijzonder kostbare werken voor zijn rekening: dat was o.a. in 1843 het geval met twee plaatwerken van Achille Jubinal „La Armeria real" en „Les anciennes tapisseries historiées", die ƒ 666.22 kostten, in 1844 met Silvestre's „Paléographie universelle", waarvoor ruim ƒ 700 betaald werd en later nog met Bory de St. Vincent's „Expédition scientifique de Morée" en „Monument de Ninivé" van Botta en Flandin, respectievelijk voor ƒ 236.25 en ƒ 760. Ook namens den Koning werd soms op bepaalde werken ingeteekend, waarvan wel het meest treffende voorbeeld is het beroemde werk van A. de Bastard, „Peintures et ornements de manuscrits". Bij Koninklijk besluit van 3 Juli 1840 werd de Minister gemachtigd daarop in te teekenen ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek, hetgeen, daar elke aflevering 1800 francs kostte, een uitgave zou vorderen van niet minder dan 34.200 francs2).

Tegenover die enkele voordeelen stond echter het niet onbelangrijke nadeel, dat dikwijls het Departement evenzeer inschreef op werken ten laste van het budget der bibliotheek en dat dit zelfs de belooningen moest opbrengen, welke de Koning voor hem aangeboden werken toekende. Vooral in den eersten tijd van Holtrop's bibliothecariaat nl. was het gewoonte, dat het Ministerie hem advies vroeg over de beteekenis van werken, welke door de, meestal buitenlandsche, auteurs aan den Koning waren aangeboden. Holtrop gaf, desgevraagd, in dergelijke gevallen ook zijn meening over den aard van een eventueel toe te wijzen belooning te kennen en zoo kon het

om voor eigen gebruik een catalogus op fiches te maken van enkele verzamelingen pamfletten. Later deed hij dezen over aan de Koninklijke Bibliotheek. Verder wees Holtrop hem op de papieren betreffende Hugo de Groot uit de collectie Visser, hetgeen leidde tot de uitgave „Broeders gevangenisse".

J) Ook later kwam dit nog wel voor. Te noemen valt vooral het in 1860 beschikbaar gestelde bedrag van ƒ1500 voor den aankoop van een collectie nieuwere grieksche en latijnsche dichters (in totaal 1152 nummers) op de veiling Van Voorst. Deze aanwinst, waarin zich ook de destijds door H. Hoefft bijeengebrachte verzameling bevond, was een bijzonder mooie aanvulling van het vele, dat de bibliotheek van Romswinckel op dit gebied bezat.

2) Men zie hierover het artikel van L. Delisle in Bibliothèque de 1'Ecole des Chartes, XLIII (1882), p. 498—523. Het werk schijnt overigens in 1872 door Willem III teruggenomen te zijn.

Sluiten