Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de voortdurend slechtere werking van de wet op de drukpers. Kreeg aanvankelijk de Koninklijke Bibliotheek krachtens deze wet een wekelijksche zending van in Nederland verschenen boeken en tijdschriften, langzamerhand werden deze tusschenruimten grooter en de zending kleiner. Men hield de hand niet aan de uitvoering van de wet, zoodat ook de uitgevers hun werken niet meer inzonden, te meer daar de vermeldingen in de Staatscourant ongeregeld plaats hadden. In September 1865 berichtte Holtrop aan het Departement, sinds een jaar niets meer te hebben ontvangen en in December 1866 meldde hij, dat de laatste zending dateerde van November 1865. Deze instelling had derhalve voor de bibliotheek alle waarde verloren.

Ook een onderneming, die aanvankelijk wel iets scheen te beloven, had ten slotte een zeer poover resultaat gehad, nl. de internationale ruiling van geschriften. Door de werkzaamheid van den Franschman Alexander Vattemare, die sinds 1832 zich beijverde de regeeringen der verschillende landen te winnen voor zijn denkbeelden van internationale uitwisseling van geschriften en kunstvoorwerpen, hadden de Vereenigde Staten en Frankrijk zich tot medewerking bereid verklaard en was in 1852 ook in ons land van regeeringswege een „Commissie voor de internationale ruiling van voorwerpen van wetenschap en kunst" ingesteld. Deze commissie, bestaande uit Holtrop, Bakhuizen van den Brink en L. J. F. Janssen, den Directeur van het Leidsche Museum van Oudheden, heeft gedurende een negental jaren, van 1852 tot 1860, haar arbeid met groote nauwgezetheid verricht. Ten slotte moest zij erkennen, dat het resultaat niet opwoog tegen de kosten en adviseerde zij den Minister tot opheffing van het ruilstelsel in dezen vorm. De Koninklijke Bibliotheek verwierf langs dezen weg een aantal Amerikaansche en Fransche publicaties, meest van ofïicieelen aard en doorgaans van weinig belang 1).

Het was onder deze omstandigheden voor de bibliotheek een geluk, dat ze op andere wijze nog een aantal belangrijke aanwinsten boeken kon. Allereerst was daar de in Maastricht gevonden verzameling^ Den i3en April 1839 zond Minister De Koek aan Holtrop een lijst van boeken en handschriften „te Maastricht voorhanden, over welke welligt van 's Rijkswege kan worden beschikt". Voordat

') Uitvoeriger hierover mijn werkje „Nederland en de internationale uitwisseling van geschriften", 's-Gravenhage, 1930, blz. 9—18. Het archief der Commissie berust in het Algemeen Rijksarchief.

Sluiten