Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog steeds als eigendom van den Koning te beschouwen en het Rijk had geen recht over het fonds op deze wijze te beschikken. Deze niet zeer sterke argumenteering had echter bij de regeering niet het minste succes en nog in hetzelfde jaar 1844 werd de wet met algemeene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen 1).

Holtrop zal zich wel bewust geweest zijn, dat hij ter wille van de door hem verdedigde zaak een redeneering had opgezet, die niet alleen weinig overtuigend was, maar bovendien vrij gevaarlijk. Nog slechts enkele jaren geleden immers had de Minister van Binnenlandsche Zaken, Schimmelpenninck, hem bericht, dat de Koning wenschte te worden ingelicht, wat in de onderscheidene verzamelingen als eigendom des Konings kon worden aangemerkt, zoodat Holtrop dit ten aanzien van de Koninklijke Bibliotheek moest opgeven 2). In zijn antwoord van 11 Februari ging Holtrop de geschiedenis van de bibliotheek sinds haar oprichting na, waarbij hij er op wees, dat sinds 1815 de gelden voor deze instelling op de Staatsbegrooting uitgetrokken geweest waren. Veel was er echter door den Koning geschonken, zoodat er omtrent deze werken nog eenige onzekerheid zou kunnen bestaan, evenals omtrent hetgeen vroeger eigendom der Oranje's was en in 1798 en 1815 in de bibliotheek was overgebracht. De schadeloosstelling, in 1802 aan de Oranje's verleend, had echter een einde gemaakt aan alle verplichtingen der Republiek tegenover hun Huis, terwijl de Souvereine Vorst in 1814 weliswaar de bibliotheek met het daarbij behoorende fonds van de stad 's-Gravenhage had aanvaard, doch ze, door de kosten ten laste van de Staatsbegrooting te brengen, blijkbaar onmiddellijk als Rijkseigendom had beschouwd. En wat de latere geschenken van den Koning aan de Bibliotheek betrof: „meermalen hoorde ik," zoo verklaart Holtrop, „uit den mond van mijn voorganger de verzekering, dat Z.M. al die boeken aan de Koninklijke Bibliotheek in vollen eigendom had afgestaan, daarop geen ander regt zich voorbehoudende dan dit, om zoodanige boeken als Hoogstdezelve mogt benoodigd hebben, tegen re?u voor eenen bepaalden tijd ter leen te ontvangen, met uitdrukkelijken last aan den Bibliothecaris om die boeken, bijaldien ze nog niet teruggezonden waren, na dat tijdsverloop terug te doen vragen." Ergo, er waren in de bibliotheek geen boeken, die eigendom des Konings genoemd konden worden.

Men was sindsdien op de kwestie niet meer teruggekomen, zoo-

') Wet van 14 Dec. 1844, Stbl. Nr. 63.

2) Arch. K.B. Brief van 11 Jan. 1842, Nr. 127, 5e Afd.

Geschiedenis der Koninklijke Bibliotheek. 10

Sluiten