Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ring hield dan ook met de mogelijkheid van een „galerij" aanvankelijk wel rekening. Aankoop van het belendende huis was echter wel de meest geëigende oplossing, die door Campbell in een brief van 6 Juli 1875 opnieuw werd aanbevolen. En dat men ook van hoogerhand daarvoor wel oog had, blijkt uit het feit, dat Minister Heemskerk naar aanleiding van Campbell's schrijven zelf op den 2en Augustus de situatie kwam opnemen. Het betrof hier trouwens een oud plan, dat reeds in 1847 ter sprake was gebracht en toen door het Rijk met het oog op de kosten afgewezen. Thans was men fortuinlijker: den 20en December 1877 berichtte de Minister aan Campbell, dat het perceel door het Rijk van den eigenaar, Mr. J. J. H. van Reenen van Bergen, was aangekocht.

Door deze uitbreiding zag de Koninklijke Bibliotheek het aantal harer vertrekken met 11 groote en kleine kamers vermeerderd. Maar er was ook heel wat plaats noodig. De voorkamer op de eerste verdieping werd bij het Penningkabinet getrokken, het zich daaronder bevindende vertrek op de bel-étage tot handschriftenkamer ingericht, zoodat de handschriften, die tot nu toe in de Koningskamer, de leeszaal en een derde vertrek waren opgeborgen, bijeen geplaatst konden worden. De zoo juist verworven bibliotheek-De Wal nam drie kamers in, terwijl men aan één vertrekje dringend behoefte had voor het opbergen van groote plaatwerken. Daar ten slotte één kamer bestemd werd voor plaatsing van de steeds aangroeiende verzameling statistieken, bleven er vier over om de nieuwe aanwinsten te bergen. In het oude bibliotheekgebouw nl. was voor deze laatste geen plaats meer, sinds in 1877 de laatste groote middenkast, waarvoor men ruimte had, was ingenomen door het legaat-De Witte van Citters.

Minister Kappeyne had zich met deze indeeling en bestemming der vertrekken vereenigd, hoewel hij aanvankelijk andere bedoelingen had. In een brief van 8 Maart 1878, waarin hij Campbell om een met plattegronden toegelicht algemeen plan verzoekt, stelt hij de vraag of een verplaatsing der leeszaal wenschelijk is. Campbell beantwoordde deze vraag ontkennend. Het eenige bezwaar, dat tegen de huidige leeszaal aangevoerd zou kunnen worden, was, zoo oordeelde hij, dat de bezoekers door twee boekenvertrekken moesten gaan om deze te bereiken, maar in de zestig jaren, dat deze toestand bestond, was dit nimmer als een ernstig bezwaar gevoeld. Zou eenmaal het Penningkabinet naar elders verplaatst worden, dan was de aldus vrijkomende ruimte als aangewezen voor een leeszaal. Blijkens zijn brief van 2 Mei 1878 echter had de Minister de door hem gestelde

Sluiten