Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vraag anders beantwoord: hij wijst in dit schrijven op de wenschelijkheid van twee aaneen grenzende kamers, waarvan één uitleenbureau en één leeszaal is, in overeenstemming met de inrichting der Universiteitsbibliotheek te Leiden. En hij vraagt thans bepaaldelijk, of de twee kamers links van den ingang op de benedenverdieping daarvoor niet geschikt zijn. Ook tegenover deze vraag intusschen handhaafde Campbell zijn standpunt, omdat naar zijn meening de kamer, die dan leeszaal worden moest, te donker was, terwijl het voor bureau bestemde vertrek te zeer van de overige bibliotheek was afgesloten. De Minister drong niet verder aan, zoodat de toestand voorloopig bleef, gelijk hij was.

Voorloopig! De Stuers immers — want het is wel zeker, dat hij het was, die deze verandering had gewild — was er de man niet naar om een eenmaal opgevat plan, van welks juistheid hij overtuigd was, te laten varen, wanneer hij tegenstand ontmoette. Dat de leeszaal, die tegelijkertijd als uitleenbureau dienst deed en waar dikwijls een conversatie en gezelligheid heerschten, die alle ernstige studie onmogelijk maakten, niet gehandhaafd kon blijven, stond voor De Stuers — die den toestand bij zijn veelvoudige bezoeken uit eigen aanschouwing kende — vast. Het duurde nog bijna zeven jaren, voordat hij de zaak weder opvatte, maar toen zette hij ook door.

In het eerste begin van 1885 ontving Campbell van Minister Heemskerk een brief, waaruit het hem wel duidelijk moest worden, dat hij niet veel keus had. „Ik ben er op bedacht," zoo heet het hier, „om door verplaatsing der leeskamer verbetering te brengen in den bestaanden toestand, die in meerdere opzichten onvoldoende is. Om de tegenwoordige leeskamer te bereiken, moet het publiek door het depót der Bibliotheek, zonder dat daarop steeds toezicht kan geoefend worden. Het vertrek is te klein en te slecht verlicht. Het gemis van een aangrenzend vertrek, waar men zich tot een der ambtenaren zou kunnen wenden om boeken aan te vragen, maakt, dat in de leeskamer de noodige stilte en rust niet gehandhaafd kunnen worden. Ook ontbreekt een voldoende gelegenheid om groote plaatwerken open te slaan." Het had den Minister — dat is wel duidelijk — aan voorlichting niet ontbroken; en ook het verdere plan was blijkbaar door iemand ontworpen, die van de situatie uitstekend op de hoogte was. „Het komt mij voor," zoo vervolgt de brief, „dat het overweging verdient, de zaal der benedenverdieping achter het beeld van Coster x)

') Bedoeld is Erasmus, wat Campbell tot de kantteekening: „O lepidum caput 1" aanleiding gaf. De brief is van 3 Januari 1885 (Arch. K.B.).

Sluiten