Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het geval Tideman, dat zelfs in de Tweede Kamer ter sprake werd gebracht1), was des te pijnlijker, omdat deze man als hoofdcommies op een salaris van ƒ2400 aan de Koninklijke Bibliotheek was benoemd en daarmede dus het tractement van den Bibliothecaris en den onderbibliothecaris respectievelijk met ƒ 300 en ƒ 800 te boven ging 2). Het ergerlijke was vooral, dat de salarissen aan de Koninklijke Bibliotheek zeer laag waren, zoodat verzoeken om verhooging aan de orde van den dag waren en de aanstelling van iemand, die het dubbele salaris van Knuttel en van den amanuensis had, tot gemotiveerde ontevredenheid leiden moest; te meer was dit het geval, omdat Campbell's aandringen op verbetering der salarissen al even weinig succes had als zijn vragen om uitbreiding van personeel3).

Toch mogen wij niet uit het oog verliezen, dat aan het einde van Campbell's loopbaan in 1890 zijn staf heel wat talrijker was dan in 1868. Toen bestond naast Campbell het personeel uit een onderbibliothecaris en een amanuensis, een ien en een 2en assistent, wier functie en ontwikkeling niet meer waren dan die van bediende, en een concierge. In 1890 werd de Bibliothecaris bijgestaan door een onderbibliothecaris, een amanuensis, een hoofdcommies, twee tijdelijke ambtenaren, een ien, 2en, 3en en 4en assistent en een concierge 4). Bovendien had Campbell in den laatsten tijd nog al eens hulp van volontairs gehad, wat sinds 1860 niet meer voorgekomen was. In 1882 was A. Flament volontair, in 1883 en 1884 Mr. W.R. Veder, terwijl in 1890 zelfs twee volontairs aan de Koninklijke Bibliotheek verbonden waren, nl. Mr. P.C. van Rossem Hoogendijk (sinds 1887) en L.C. Kloos (sinds 1889). Dat alle ambtenaren volwaardige krachten waren kan niet gezegd worden, maar toch is een zekere stijging van het peil onmiskenbaar. Trof men vroeger in de bibliotheek vooral personen aan, die uit den boekhandel voortkwamen en een eenigszins toevallige ontwikkeling hadden, thans hadden drie der

]) Verslag Hand. Stat. Gen. Tweede Kamer 1882—1883, blz. 726—727.

2) Wij laten hier buiten beschouwing de kleine salarissen, die Campbell als Hoofdbestuurder en Wijnmalen als ie Custos van het Museum Meerm.Westreenianum hadden.

3) Knuttel, in 1877 aangesteld op ƒ 1200, kreeg eerst in 1888 zijn tweede verhooging, die zijn salaris op ƒ1500 bracht.

4) Eerste assistent was nog steeds L. J. Verwoert; de vroegere 2e assistent, L. Koppert, was, toen in 1884 de concierge C. L. de Visser stierf, dezen opgevolgd; de in 1879 benoemde 3e assistent G. J. Bekink was toen in 1885 tot 2en assistent bevorderd. De post van 3en assistent werd bij die gelegenheid gesplitst in dien van „boutefeu", die echter den titel van 3en assistent behield en een „jongeling". Dit werden in 1885 respectievelijk H. Littooy en A. J. de Mare.

Sluiten