Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bibliotheek. De formuleering van deze plannen blijft in de verschillende jaarverslagen — waarin sinds 1908 hiervan sprake is — nogal vaag en vertoont, zoo spoedig ze in details treedt, tal van nuances. Wat het dan ook was, dat hier tentoongesteld moest worden, ja zelfs welk doel het „Museum" beoogde, is niet volkomen duidelijk: er is sprake van de verzameling van alba en van gewichtige documenten, betrekking hebbende op de vaderlandsche geschiedenis; van de collectie geïllustreerde handschriften en boeken, kostbare boekbanden en boekversieringen; terwijl in het reeds meermalen geciteerde verslag over 1920 de scheidende Bibliothecaris van twee der vertrekken zegt: „Zij zijn er voor bestemd om de aparte collecties op te nemen van bindwerk, van belangrijke drukken, van oude reizen, enz., welker bijeenstaan het gevoel voor den samenhang der vakken prikkelt en de verbeelding opwekt, zooals de verspreiding over de groote ruimten der bibliotheek het niet kan teweeg brengen" 1).

Doch al mogen deze plannen nog niet vastomlijnd zijn geweest, veelomvattend waren ze zeker: er is herhaaldelijk sprake van een afdeeling „Museum" onder directe leiding van een wetenschappelijken ambtenaar, de voormalige kunstzaal zou ingericht worden tot een kleine gehoorzaal, de museumvertrekken moesten geheel gerestaureerd worden om een waardige omlijsting te vormen voor de schatten, die ze zouden bergen. Die restauratie heeft inderdaad plaats gehad. Vooral de oude leeszaal, die de voornaamste museumzaal zou moeten worden, onderging een ingrijpende verandering, waarbij ze weer haar vroegeren ingang in de vestibule en haar oorspronkelijken achthoekigen vorm kreeg. De twee vertrekken aan weerszijden, destijds de kleine leeszaal en het uitleenbureau, werden in denzelfden stijl als de middenzaal gerestaureerd en vergroot door het wegbreken van de trappen, die daar onder Flament waren aangebracht. Ook de vestibule en het trappenhuis herkregen weer hun vroegeren luister. Van een uitvoering der museumplannen is echter niets gekomen. In het jaar van Bijvanck's heengaan vormden een drietal ledige vitrines en eenige kleinere kasten in het hoofdvertrek vrijwel de geheele inrich-

1) Dit is iets anders dan wat later weer het „Rapport der Rijkscommissie van advies inzake reorganisatie van het Museumwezen hier telande"('s-Gravenhage, 1921) op blz. 100 bepleit. Hier wordt geadviseerd een Museum van het Boek te 's-Gravenhage te vestigen, waarin op te nemen waren die handschriften en boeken, die om hun geheele uiterlijke verzorging, niet voor het eigenlijke bibliotheekgebruik, nl. raadpleging van den inhoud bestemd zijn, doch die als voorwerpen van kunst zijn aan te zien. De zelfstandige leiding zou aan de Kon. Bibl. verbonden moeten zijn.

Sluiten