Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ondergebracht konden worden. Zoo waren in 1924 alle bezoekers der bibliotheek ook ten zeerste gediend met de verbouwing, die de noodzakelijke uitbreiding van cataloguskamer en uitleenbureau mogelijk maakte. Een ernstig verschijnsel is echter, dat thans, dertig jaar na de voltooiing van het nieuwe gebouw, de magazijnruimte vrijwel volkomen in gebruik genomen is, zoodat andermaal een uitbreiding dringend noodig is1).

Het plaatsgebrek wordt in de Koninklijke Bibliotheek nog des te meer gevoeld, doordat ze zich onder Molhuysen's beheer gestadig heeft ontwikkeld tot een centrale bibliotheek, wat de vestiging van verschillende nieuwe diensten ten gevolge had, die alle ook weer een plaats binnen haar muren vroegen. We doelen hier in de eerste plaats op den Centralen Catalogus en verder op het Internationaal Ruilbureau.

Het plan voor een centralen catalogus, waarin de catalogi van alle Nederlandsche bibliotheken zouden opgenomen worden, was door Molhuysen in 1919 gepubliceerd als een pium votum 2). Hij had in dit artikel gewezen op de belangrijke hulp, die een centrale catalogus bij het onderling leenverkeer der bibliotheken zou kunnen geven, had geschetst, hoe hij zich de vorming van een dergelijken catalogus dacht en had de plaatsing daarvan bij een groote bibliotheek verdedigd. Weinige jaren later kon dit pium votum reeds een begin van verwezenlijking vinden. In 1921 was Molhuysen Bibliothecaris der Koninklijke Bibliotheek geworden en den 4en Maart 1922 droeg de Minister aan den nieuwen functionaris op een centralen catalogus in te richten. De toevallige omstandigheid, dat het Frederik Muller Fonds, sinds jaren bezig met het vervaardigen van een bibliografie op fiches der vóór 1800 in Nederland (of Nederlandsche in het buitenland) gedrukte boeken, samenwerking zocht met de Koninklijke Bibliotheek, had geholpen om de zaak een zoo snel verloop te geven. Van die samenwerking, die een fusie beoogde met een op te richten centralen catalogus is ten slotte niets gekomen, doordat het Frederik Muller-Fonds in 1928 zijn materiaal weer terug nam. Het vertrek van deze verzameling beteekende voor den Centralen Catalogus, die reeds een grooten omvang bereikt had, toen echter geen verlies meer.

De organiseering van den Centralen Catalogus kan in het algemeen wel als geslaagd beschouwd worden. Wij behoeven zijn inrichting

1) Naar schatting overtreft het boekenbezit thans verre het millioen.

2) Bibliotheekleven Jg. IV (1919), blz. 261—266.

Sluiten