Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoeg om zonder baan royaal rond te kunnen komen en waarom zou hij dan werk ter hand nemen, waarmee een ander gezinshoofd zich een behoorlijk bestaan kon verwerven?

Toch was Ferdinand Drent niet lui; hij had een veel te levendigen geest om lui te kunnen zijn.

Maar hij wandelde nooit tot hij moe werd, hij at nooit zooveel, dat het hem bezwaarde, hij las nooit brieven, welke onduidelijk geschreven waren, hij poogde nooit te snijden met een bot mes, hij ging nooit uit als het slecht weer was, hij kwam liever te laat, dan dat hij zich haastte, hij stelde in alles belang, maar verdiepte zich nergens in, hij deed alleen de dingen welke hij prettig vond en liet alles na wat hem mishaagde, hij bleef uiterlijk steeds onbewogen en niets verried ooit, dat die onbewogenheid inwendig kampte met emoties.

In den loop der jaren had hij de wijze geaardheid verworven om de goede dingen des levens naar zich toe te trekken en de kwade te negeeren, of uit den weg te gaan.

Dat is eigenlijk de „wellevensconst", welke Prentice Muiford en andere blijmoedige geesten prediken, welke geesten van het Carpe Diem een eeredienst maken.

Behalve zichzelf beminde Ferdinand Drent nog drie andere menschen ; de rest van het menschdom was hem onverschillig ; onverschillig, want hij haatte principieel niemand, wijl hij wist, dat het gevoel van haat iets leelijks is, het leelijke schept altijd een onbehagelijke sfeer en Ferdinand Drent dacht er niet over iets onbehagelijks te ondergaan om iemand, die hij niet liefhad.

De drie menschen, welke hij dan behalve zichzelf beminde, waren zijn drie dochters, Maud, Pim en Puck, die respectievelijk 24,19 en 14 jaar oud waren. Maud was donker bij het zwarte af, Pim roodbruin en Puck stroogeel. Het waren alle drie frissche, welgebouwde meisjes, die met haar grijze, bruine en blauwe oogen, zeer vrijmoedig en onbevangen in de wereld keken en die, elk naar haar leeftijd en geaardheid, reeds een heel eind op weg waren, om haar vader te evenaren in diens eigendommelijke „wellevensconst".

Doch ze waren nog te jong en hadden nog te weinig lief

Sluiten