Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Een eigenaardig individu," herhaalde Loes. „Bedoelt U uiterlijk eigenaardig ?"

„Ja."

„Maar Mevrouw I" riep een der meisjes. „Als hij iemand bij zich heeft met een eigenaardig uiterlijk, dan zal hij toch juist de aandacht trekken 1"

„Nee . .. Hoe bedoel je ? . . . Nu ja " zei mevrouw Paling blijkbaar wat verward. „Eigenaardig en eigenaardig is twee."

„Natuurlijk!" viel juffrouw Te Meetelaar bij, maar niet dan nadat ze snel een zijdelingschen blik op haar vriendin had geworpen. „En het gaat er trouwens alleen maar om, dat we nu weten, dat er mogelijk nog een derde persoon in het gezelschap is van meneer Drent."

„Een eigenaardige derde persoon," riep een meisje; ergens werd gegiegeld.

„Nu ja, Stanny, zeur nu niet over dat eigenaardig," vermaande de Leidster.

„Maar het signalement van die . . . derde persoon zullen we toch moeten weten," merkte Loes nogal gedecideerd op.

„Is ... e ... dat te geven ?" vroeg Juffrouw Te Meetelaar, terwijl ze mevrouw Paling een tikje schuw aanzag.

„Maar natuurlijk!" riep deze wat schel lachend uit. „Schrijf maar op, kind! Leeftijd onzeker, maar niet jong meer!"

„Dat is wel een beetje vaag," zei Loes.

„Schrijf nu maar wat mevrouw dicteert," vermaande juffrouw Te Meetelaar.

„Onzeker, maar niet jong meer," herhaalde Loes dan met een bedenkelijk gezicht.

„Allerzonderlingst toegetakeld," vervolgde mevrouw Paling dan.

„Kunt U er geen ideetje van aangeven ?" vroeg Loes.

„Nee," en mevrouw Paling had weer dat schelle lachje. „Want daar is geen pijl op te trekken."

„Zoo maar raar dus," begreep Loes dan.

„Juist."

Sluiten