Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drie zaten gewoon te beven op hun stoelen. Toen voelde ik de kans voor de Anschluss. Hoe ? Waar ? Dat wist ik nog niet zoo gauw. Maar ik gooide mijn vischtuig uit. De dobber lag effies stil. Geen tuk. Maar 't aas was goed, dat wist ik. Ze zwommen d'r al omheen. Maar nog niet bijten. Neel Enfin, toen haal ik quasi op . .. Hapsiel"

„Ze beten ?"

„En of! Ineens met een schokkie! Maar stevig. Toen ben ik hier es even uit gaan rusten. Zij spartelen nog beneden in de hal. Stil laten spartelen. Los van de haak komen ze toch niet. 't Is nou alleen maar wachten op het seintje, dat ze uitgesparteld zijn en dan eten ze uit mijn hand!"

„Jonchie!" riep mevrouw Pardus uit, terwijl ze een dikken arm om zijn hals sloeg. „Je bent eigenlijk een dichter!"

„Weet ik wel, kind. Ik had alles kunnen worden. Dichter net zoo goed. Maar dichters lij en teveel honger en daar kan mijn gestel niet tegen!"

„Maar je zei, dat die knul ook van bridgen smoesde."

„Deed-ie ook."

„Waarom ging je daar niet op in ?"

Meneer Pardus lachte.

„Toe, nou niet alles tegelijk! Komt misschien ook nog wel. Hebben we nog van die kaarten ?"

„Vier spel."

„En de brillen ?"

„Natuurlijk!"

Meneer Pardus stond op van den divan en deed een paar stappen in de kamer.

„Het kan te pas komen. Maar eerst moet die andere zaak voor mekaar! Daar ruik ik cash in. Veel cash! Dik cash! Hoe, weet ik nog niet. Maar ik ruik het en mijn neus is goed. Mijn neus is braaf! Die liegt me nooit wat voor."

„Maar vader, luister nou es. Mijn geheugen is minstens zoo goed als jouw neus. Die mesjokke Arabier smoesde toch eerst, dat er een dochter was en een andere."

Sluiten