Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maud en Miep durfden niet te lachen met het oog op de kleeding van mevrouw van Haemsteede.

De meisjes achter hen joelden en lachten en vochten om de stoelen.

„Meisjes, meisjes ..." vermaande de grijze heerenbroek. „Een beetje kalml"

„Ook weer Hollanders," zei Miep zacht.

„Gezellig op reis al die landgenooten! Vindt U niet?" vroeg Paps zich tot Lucie wendend.

„Och, 't kan me zoo weinig schelen," antwoordde ze. „Ik voel me altijd maar het prettigste thuis."

„Houdt U niet van mooie natuur ?" vroeg Maud.

Ze haalde heur schouders op.

„Dat is toch ook veel idee," antwoordde ze dan. „Omdat het een berg is, moet het persé mooi zijn. Maar ik vind een berg lang niet altijd mooi. Hij belemmert je 't uitzicht maar."

„Dat is een zeer oorspronkelijke opvatting," sprak Paps, „en daar zit iets in. Iets wat hoog is belemmert altijd het gezicht op iets laags. En de meeste menschen houden in hun hart toch meer van het lage, dan van het hooge. U houdt zeker meer van de zee," besloot hij.

Ze knikte.

„Soms. Maar hier is geen zee."

„Een kleintje," zei Paps op het blauwe meer wijzend.

„Mijn vrouw bengelt maar 't liefst in een hangmat, zei Christiaan.

„O, precies," zei Paps knikkend. „Zoo zwevend tusschen hemel en aarde. Ja, dat is ook eigenlijk „J e".

Het dienstertje was nu bij den joelenden meisjestroep gekomen.

„Meisjes!" riep de grijze heerenbroek. „Schei nu es even uit met dat gekakel I We moeten bestellen. Wie thee wil, steekt zijn vinger op."

Een vinger ging naar boven.

„Alleen jij Loes ?"

Sluiten