Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXIII.

Mevrouw Volkers rees op uit haar crapaud en het viel de beide andere dames eerst nu op, dat de tasch, welke zij had meegebracht, van grooter formaat was, dan ze placht te dragen en bovendien bolde die tasch naar beide zijden uit.

„Dan zou ik U vriendelijk willen verzoeken om allereerst een emmer met ijs hier te laten komen," sprak ze, zich tot mevrouw van Doesselaer wendend.

„Met het grootste genoegen. Een emmer met ijs. Gewoon ruw ijs?"

„Zeker; zooals voor de wijnkoelers gebruikt wordt."

„Heel goed," en mevrouw van Doesselaer trad naar den telefoon en bestelde het verlangde.

„Dan zullen we nu even moeten wachten tot de kelner geweest is," sprak mevrouw Volkers, „als die dan meteen het koffieblad wegneemt, hebben we dat tafeltje vrij en dat is bizonder geschikt voor ons doel," en terwijl ze zoo sprak, wendde ze zich om en begon ze op een tafeltje in den anderen hoek van de kamer, verschillende dingen uit haar tasch te pakken.

„Het is heel kinderachtig van me," sprak mevrouw van Doesselaer, „maar ik zie er toch wat tegen op."

„Ik niet," sprak mevrouw Paling op dapperen toon.

Weldra verscheen de kelner met den bestelden emmer ijs en eenige oogenblikken later was hij met het koffieblad weer verdwenen.

„U permitteert?" vroeg mevrouw Volkers, toen ze achter den kelner de deur op slot draaide.

Mevrouw van Doesselaer en mevrouw Paling waren beiden opgestaan.

„O .. . de deur op slot," sprak de eerste. „Ja zeker... dat is ... e ..

„Ik doe dat," verklaarde mevrouw Volkers, „omdat bij het

Pap.

13

Sluiten