Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de kamer was weer de zwarte dikke duisternis gevallen met niets zichtbaars dan de roode bevende vonken der smeulende wierookstaafjes, welke de drie dames in haar nog steeds omhoog geheven handen hielden.

De laatste dwalm van de oliepit drong als een walgelijke dronk in haar monden.

Mevrouw van Doesselaer uitte een zwakke kreet.

„Ssssssst. . klonk het.

Dan was er plots het tikkend geluid van druppels, welke op den vloer vielen en dan ineens fluisterde weer de stem van mevrouw Volkers snel en hartstochtelijk : „Boentjie mala ... boentjie mala . . . boentjie mala."

„Ik ... ik ... ik kan niet meer . . ." bracht mevrouw Paling met moeite uit.

Maar de ceremonie was nu ook geëindigd.

Met een paar forsche rukken trok mevrouw Volkers de overgordijnen weer open en ratelend schoven de jalouzieën omhoog; het volle zonnige daglicht drong in de kamer, was ineens weer overal, tot in de verste hoeken.

De gelaten der drie dames zagen in dit felle licht nu aschgrauw en alle drie zwegen ze.

Op het tafeltje was het stuk ijs weggesmolten op het doorweekte portret van Dzjobs Melodia; het water siepelde met dunne straaltjes op het tapijt.

„Lucht.. . lucht...!" stamelde mevrouw van Doesselaer eensklaps, ze wankelde naar de balcondeuren, rukte die open ; mevrouw Paling was als half bezwijmd in een crapaud gezonken, drukte krampachtig een zakdoek tegen haar mond.

Alleen mevrouw Volkers, hoe bleek ze ook zelf zag, was nog fit genoeg gebleven om de requisieten van het goena-goena experiment weer in te pakken.

De stank in de kamer was onverdragelijk.

„Laten we ... in Godsnaam . . . naar beneden gaan . . ." stamelde mevrouw van Doesselaer.

„Ja, ja ... gauw maar .. . gauw maar ..." fluisterde mevrouw Paling.

Sluiten