Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXVI.

„Maar wat hoor ik, lieve mevrouw? Gaat U vertrekken?" vroeg mevrouw van Haemsteede, die in de pergola van het hotel Beau Rivage zat te handwerken, toen mevrouw van Doesselaer, gekleed in hoed en mantel, na eenige aarzeling van zoeken tamelijk gehaast op haar toe stapte.

„Ja antwoordde mevrouw van Doesselaer, „ik zou eerst van middag gegaan zijn omdat ik de reis toch in étappes doe, maar nu heb ik tegenspoed, de motor is defect en nu ben ik besloten om dan maar liever per trein terug te reizen. Zoodra de wagen dan gerepareerd is, komt Jacob er mee naar huis."

„Och, wat vervelend! En kunt U zelf ook niet zoo lang hier blijven tot de auto weer te gebruiken is? Maar komt U toch nog even bij me zitten."

,,'n Oogenblikje," en mevrouw van Doesselaer nam plaats. „Nee, hier blijven wachten kan ik niet. Ten eerste weet ik niet, hoe lang de reparatie zal duren. En dan heb ik thuis nog iets te doen, dat geen uitstel kan leiden."

_ »Het spijt me. We hebben elkaar nu wel niet zoo veel gezien, als ik gehoopt had, maar ik vond het toch altijd erg gezellig om U dan weer eens even te ontmoeten."

„Zeker, het is trouwens ook wel een beetje anders geloopen, dan ik me aanvankelijk had voorgesteld. Er kwamen allerlei dingen, die me zoo in beslag namen, dat er voor een rustige gezelligheid zoo goed als geen tijd overbleef."

„Maar Uw schoonzoon heeft U toch gevonden."

„Ja zeker, dat wel."

„Hij was zeker wel erg blij om U te zien?"

„O, ja."

Papt

15

Sluiten