Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Alleraardigst!" zei mevrouw Paling. „Heeft U vannacht in Basel gelogeerd?"

„Ja zeker. U ook?"

„Natuurlijk!"

En de beide dames lachten vroolijk en geamuseerd over zooveel overeenkomst van avontuur.

De passagiers begonnen nu toe te stroomen, elk oogenblik raakten tafeltjes bezet, een geroezemoes van stemmen vulde weldra de ruimte van de gezellige pijpenla met zijn snorrende ventilatoren, zijn witgedekte tafeltjes met kleurige bloemen en blinkend zilver en kristal, zijn flonkerende raampjes, achter welke als verschietende schilderij en-in-lij sten links en rechts de zonnige groene landschappen verschoven.

Juist toen de maaltijd een aanvang nam met een groote kop soep, welke de kelners in waggelende vaart, kunstig balanceerend en zonder een druppel te morsen, neerkwakte voor de gasten, kwam ineens de Ober weer met een passagier ; daar mevrouw van Doesselaer en mevrouw Paling vooruit reden, zagen ze hen niet aankomen, maar wel viel haar de plotselinge felle en verbaasde aandacht aan de andere tafeltjes op, doch eer ze de reden daarvan konden bevroeden, nam ineens de Arabische figuur van mevrouw Volkers tegenover haar plaats.

„Nee maar .... Droomen we nu?" riep mevrouw Paling.

„Och . . . dat is haast niet te gelooven . . ." stamelde mevrouw Volkers met zachte stem en in den blik, waarmee ze naar haar overburen keek, was iets of ze spoken zag.

Mevrouw van Doesselaer veinsde ook de meest perplexe verbazing.

„Het is bijna angstig!" riep ze lachend uit. „En dan zegt men, dat er geen toeval bestaat! Maar mijn hemel mevrouw Volkers, vertelt U eens gauw, waarom reist U per trein? Had U ook pech met Uw wagen?"

„Even voor Karlsruhe weigerde de motor ineens," antwoordde ze, „en de reparateur zei, dat het wel een week kon

Sluiten