Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meneer Pardus knikte en glimlachte droevig.

„In een avond verloor ze alles wat ik bezat, beter, wat we samen bezaten! Gelukkig konden we nog juist het hotel betalen, dat bedrag had ik gereserveerd en toen . . . vluchtten we. Ja dames, toen vluchtte ik, ook voor U! Sedert hebben we gezworven, mijn vrouw heeft al haar sieraden verkocht, haar ringen, haar oorhangers, haar trouwring..." bracht meneer Pardus met moeite uit, „het medaillon van haar moeder.. . zat nog een haarlok in . .. van mij ..."

Zijn stem scheen te breken in een bedwongen snik ; hij zweeg, staarde op zijn bord.

De drie dames zwegen.

„Dus U is volkomen geruineerd," sprak mevrouw Paling.

„Ja, mevrouw, zoo noemt men dat," antwoordde meneer Pardus met een droeven lach. „En sedert zwierven we zoowat rond ; we zijn grootendeels te voet naar Basel gekomen af en toe eens meegereden met een vrachtauto of op een mestkar. Och, men moet niet al te kieskeurig zijn. Gelukkig bleef het weer goed en 's nachts in de parken was het niet al te kil. En ten slotte hebben we onze garderobe zooveel mogelijk te gelde gemaakt en met dat geld kon ik biljetten nemen tot Rüdesheim,

waar een vriend van me woont."

De kelner kwam nu inderdaad ten tweede male rond met de kalfsoesters en meneer Pardus bediende zich haastig, nam er nog een, schepte ook nog snijboontjes en gebakken aardappels op zijn bord, welke spijzen hij, zoodra de kelner weg was, op dezelfde manier als de visch op elkaar drukte, er een pakje van maakte, welk pakje dan eveneens in zijn binnenzak verdween.

Bij de dames viel andermaal een ontroerde stilte.

Mevrouw van Doesselaer riep den kelner, bestelde een vierde champagneglas, hetwelk haar fluks gebracht werd.

„Drinkt U een glas champagne met ons mee," sprak ze dan tot meneer Pardus met een ietwat onvaste stem, terwijl ze meteen al schonk.

„U is wel... zéér goed . .stamelde meneer Pardus met een bevende stem.

Sluiten